Wat is juist: perziken, haviken en monniken (met één k) of perzikken, havikken en monnikken

 

Het meervoud van perzik, havik en monnik is met één k: perziken, haviken en monniken

In deze woorden ligt de klemtoon op de eerste lettergreep: ‘perzik’, ‘havik’, ‘monnik’. Omdat de tweede lettergreep geen nadruk krijgt, en de i hierin soms zelfs naar een uh-klank neigt, wordt de k in het meervoud niet verdubbeld.

Dit gebeurt bij zelfstandige naamwoorden die op -ik of het achtervoegsel -erik eindigen, zoals monnik en bangerik, en bij werkwoorden met een onbeklemtoond -ik aan het eind van de stam, zoals frunniken, grinniken, hinniken, punniken en zaniken, en afleidingen daarvan: prediken - prediker. De enige uitzondering is batikken. Verder tellen woorden als aftikken en griepprikken niet mee; die zijn samengesteld met tikken resp. prikken, waarin tik resp. prik de klemtoon heeft.

De spellingdeskundigen De Vries en Te Winkel hebben in de negentiende eeuw bepaald dat een dubbele klinker in het meervoud niet nodig was. De makers van de latere officiële woordenlijsten hebben deze regel in stand gehouden. Hoewel het niet gek zou zijn om perzikken, havikken en monnikken te schrijven, zal deze regel niet snel worden aangepast.

Meer voorbeelden van woorden op -ik en hun meervoud (samenstellingen als kalfszwezeriken en kuifleeuweriken zijn niet opgenomen):

  • ambetanterik - ambetanteriken
  • bangerik - bangeriken
  • beroemderik - beroemderiken
  • bloterik - bloteriken
  • bolderik - bolderiken (‘anjerachtige plant’)
  • botterik - botteriken
  • bozerik - bozeriken
  • brave hendrik - brave hendriken
  • braverik - braveriken
  • deuvik - deuviken (‘stop om een vat af te sluiten’)
  • dieperik - dieperiken
  • dommerik - dommeriken
  • dwazerik - dwazeriken
  • estrik - estriken
  • flauwerik - flauweriken
  • ganzerik - ganzeriken
  • gemenerik - gemeneriken
  • havik - haviken
  • hederik - hederiken; herik - heriken (‘bermplant’)
  • kanunnik - kanunniken
  • leeuwerik - leeuweriken
  • lomperik - lomperiken
  • luierik - luieriken
  • mierik - mieriken (‘lepelblad’)
  • molik - moliken (‘vogelverschrikker’)
  • onbeleefderik - onbeleefderiken
  • onbeschofterik - onbeschofteriken
  • pezerik - pezeriken (‘penis van een stier of varken’)
  • slechterik - slechteriken
  • slimmerik - slimmeriken
  • slomerik - slomeriken
  • stommerik - stommeriken
  • stouterik - stouteriken
  • valserik - valseriken
  • viezerik - viezeriken
  • vuilerik - vuileriken
  • vuilik - vuiliken
  • wederik - wederiken (‘plant uit de sleutelbloemfamilie’)
  • zatterik - zatteriken
  • zwezerik – zwezeriken

Ook de volgende werkwoorden eindigen op -iken en niet op -ikken:

  • afzaniken
  • frunniken
  • grinniken
  • grunniken (‘enigszins knorrend, gnuivend lachen’)
  • hinniken
  • opzaniken jullie!
  • prediken
  • punniken
  • zaniken