'U kunt hier overstappen op lijn 3 en op (de) lijnen 6 en 7.' Waarom is in het meervoud opeens een lidwoord nodig?

 

Het lidwoord is niet nodig bij een zelfstandig naamwoord dat iets aanduidt wat enig in zijn soort is, een exemplaar of individu dat ondubbelzinnig geïdentificeerd kan worden, bijvoorbeeld omdat er een letter, een nummer of een naam achter staat. De grammaticaboeken spreken in zo'n geval van “substantieven met unieke referentie”; de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS, 1997) geeft er heel wat voorbeelden van.

Bekende gevallen van unieke referentie zijn:

  • rijksweg A43, fietsroute LF 13
  • tram 6, bus 14A, lijn 7
  • bladzijde 23, hoofdstuk 9
  • gevangene 1078B
  • minister Cramer, premier Balkenende, koningin Beatrix

Van al deze personen of zaken is er maar één, in elk geval binnen de gegeven context. Hoe meer zo'n verbinding ingeburgerd raakt, hoe minder het lidwoord nodig is. In zeer vaste verbindingen – zoals koningin Beatrix – móét het zelfs worden weggelaten.

In het meervoud is het gebruik van een lidwoord in zulke gevallen wel verplicht; de referentie is daar niet uniek genoeg meer. Vandaar de lijnen 6 en 10 en de ministers Donner en Cramer.