Wat zijn de regels voor het al dan niet plaatsen van een komma tussen twee bijvoeglijke naamwoorden?

 

Er komt alléén een komma tussen twee bijvoeglijke naamwoorden als de twee naamwoorden 'nevengeschikt' of gelijkwaardig zijn: ze benoemen dan onafhankelijk van elkaar een eigenschap van het eropvolgende zelfstandig naamwoord. Twee bijvoeglijke naamwoorden zijn 'gelijkwaardig' als we zonder probleem de volgorde kunnen veranderen:

1a Ik erger me aan zijn platvloerse, flauwe grappenmakerij.

1b Ik erger me aan zijn flauwe, platvloerse grappenmakerij.

Met 1a en 1b drukken we uit dat zijn grappenmakerij flauw én platvloers is. Bij hardop lezen is een duidelijke pauze hoorbaar tussen de twee naamwoorden.

Als twee bijvoeglijke naamwoorden onomkeerbaar zijn – dat wil zeggen: als ze een váste volgorde hebben – dan horen we geen pauze en plaatsen we dus ook geen komma. In 2a zijn gelijkwaardige en bijvoeglijke duidelijk onomkeerbaar:

2a Tussen twee gelijkwaardige bijvoeglijke naamwoorden plaatsen we een komma.

2b ?Tussen twee bijvoeglijke gelijkwaardige naamwoorden plaatsen we een komma.

Die onomkeerbaarheid wordt veroorzaakt doordat bijvoeglijk een inherente eigenschap uitdrukt van naamwoord, terwijl gelijkwaardige een beperkende functie heeft: het beperkt de groep 'bijvoeglijke naamwoorden' tot een deelverzameling. Beperkende bijvoeglijke naamwoorden staan altijd links van de niet-beperkende.

Ook in 3a komt geen komma, omdat de volgorde van de naamwoorden vast is:

3a De originele marmeren schoorsteenmantel is nog geheel intact.

3b ?De marmeren originele schoorsteenmantel is nog geheel intact.

De stofnaam marmeren drukt een meer inherente eigenschap van de schoorsteenmantel uit dan het feit dat hij origineel is, en staat daarom zo dicht mogelijk bij het zelfstandig naamwoord.