Wat zijn de regels voor het al dan niet plaatsen van een komma tussen twee bijvoeglijke naamwoorden?

Een handige tip is: als de bijvoeglijke naamwoorden zonder probleem van plaats kunnen wisselen, komt er een komma tussen. Bijvoorbeeld: een frisse, vrolijke werkplek en een vrolijke, frisse werkplek.

Er komt alléén een komma tussen twee bijvoeglijke naamwoorden als ze gelijkwaardig of ‘nevengeschikt’ zijn: ze benoemen dan onafhankelijk van elkaar een eigenschap van het eropvolgende zelfstandig naamwoord. Twee bijvoeglijke naamwoorden zijn ‘gelijkwaardig’ als ze zonder probleem van plaats kunnen wisselen:

  • Ik erger me aan zijn platvloerse, flauwe grappenmakerij.
  • Ik erger me aan zijn flauwe, platvloerse grappenmakerij.
  • Ze hebben sinds kort een frisse, vrolijke werkplek in Almere.
  • Ze hebben sinds kort een vrolijke, frisse werkplek in Almere. 

De grappenmakerij is flauw én platvloers, de werkplek fris én vrolijk. Bij het hardop lezen is meestal een duidelijke pauze hoorbaar waar de komma staat.

Vaste volgorde (niet verwisselbaar)

Als twee bijvoeglijke naamwoorden onomkeerbaar zijn – dat wil zeggen: als ze een váste volgorde hebben – staat er geen komma en hoor je ook geen leespauze:

  • Ze heeft een alleraardigst zilveren schaaltje geërfd. (alleraardigst en zilveren kunnen niet goed van plaats verwisselen)

De onomkeerbaarheid wordt veroorzaakt doordat zilveren een heel vaste eigenschap uitdrukt van het schaaltje, namelijk het materiaal. De combinatie zilveren schaaltje vormt daarmee als het ware een geheel. De aanduiding alleraardigst geeft een mening, een oordeel weer, en geen vaste eigenschap. Zo’n meer ‘toevallige’ eigenschap staat links voor de vaste combinatie. Er komt geen komma.

Ook in deze zin staat geen komma, omdat de volgorde van de naamwoorden vrij vast is:

  • Het meisje wilde heel graag de grote wollen pandaknuffel hebben. (wollen grote pandaknuffel klinkt niet goed)

Wollen drukt een meer inherente eigenschap van het knuffelbeest uit dan het feit dat hij groot is. Daarom staat wollen zo dicht mogelijk bij het zelfstandig naamwoord, zijn de eigenschappen niet goed omkeerbaar en staat er bij voorkeur geen komma tussen de bijvoeglijke naamwoorden.