Wanneer gebruik je jou en wanneer jouw? 

Jouw geeft altijd aan dat iets ‘van iemand’ is. Het duidt dus op bezit, bijvoorbeeld in ‘Is dat jouw telefoon?’ Jou geeft geen bezit aan. Het past in zinnen als ‘Ik geef jou mijn telefoon.’

Jouw en jou zijn nadrukkelijke vormen. Als er geen nadruk op hoeft te liggen, past het niet-nadrukkelijke je beter: ‘Mag ik je telefoon even gebruiken?’, ‘Ik geef je zo meteen antwoord.’ 

Handig hulpmiddel: de Taal*maat

De Taal*maat Jou of jouw? is een stroomdiagram waarmee je kunt bepalen of jou of jouw goed is. Een handig hulpmiddel om het juiste woord te kiezen!

Jouw = ‘van jou’

Jouw duidt altijd bezit aan, bijvoorbeeld:

  • Ik heb het jouw moeder als eerste gevraagd. (de moeder van jou)
  • Jouw cake is het lekkerst. (de cake van jou)
  • Naar jouw theorieën luister ik het liefst. (de theorieën van jou)
  • Ik deed het voor jouw plezier. (het plezier van jou)
  • Je bent ontzettend gestrest voor jouw doen. (‘het ‘doen’ van jou’ = ‘de gewoonte van jou’)
  • Ik doe het, maar op jouw verantwoording! (de verantwoording van jou)

Jouw wordt dan ook ‘bezittelijk voornaamwoord’ genoemd. Andere bezittelijke voornaamwoorden zijn mijn, uw, zijn, haar, ons/onze, jullie en hun.

In van jou komt er geen w achter jou. De bezitsrelatie wordt hier uitgedrukt door het voorzetsel van. Alleen als jouw in z’n eentje bezit aanduidt, is de w juist. Dus: ‘Het boek is echt van jou’ is goed naast ‘Dat is echt jouw boek’ en bijvoorbeeld ‘Het boek is echt van jouw zus’ (‘van de zus van jou’).

Jou = persoonlijk voornaamwoord

In de volgende zinnen is jou juist. Het duidt geen bezit aan:

  • Ik heb het jou gevraagd.
  • Gijs zag jou gisteren in de stad.
  • Dat ga ik meteen voor jou doen.
  • De door jou gestelde vraag komt aan de orde.

Jou wordt ‘persoonlijk voornaamwoord’ genoemd. Andere persoonlijke voornaamwoorden zijn ik, mij, zij, hem, u en wij.

Wie twijfelt tussen jou en jouw, kan jou(w) in gedachten te vervangen door hem (kan alleen persoonlijk voornaamwoord zijn) of zijn (kan alleen bezittelijk voornaamwoord zijn). Als hem in de zin past, is jou goed. Als zijn in de zin past, is jouw juist:

  • Ik heb het hem als eerste gevraagd, dus: Ik heb het jou als eerste gevraagd.
  • Gijs zag hem gisteren in de stad, dus: Gijs zag jou gisteren in de stad.
  • Is dat van hem of van haar?, dus: Is dat van jou of van haar?
  • Is dat zijn idee?, dus: Is dat jouw idee?
  • Zijn moeder houdt erg van toneel, dus: Jouw moeder houdt erg van toneel.

Oefenen met jou en jouw?

Je = jouw of jou zonder extra nadruk

De vormen jou en jouw passen in zinnen waar er nadruk op deze woorden ligt. Als dat niet het geval is, is de gereduceerde vorm je beter:

  • Ik heb het jou gevraagd, want jij kunt dit het best.
  • Ik heb het je (liever niet: jou) gevraagd, maar je gaf geen antwoord.
  • Jouw moeder houdt erg van toneel, maar mijn moeder helaas niet.
  • Je (liever niet: Jouw) moeder houdt erg van toneel, hoorde ik.