Wat is juist: gij hadt of gij had?

Gij hadt wordt nog steeds als juist gezien. De regel die hier gevolgd wordt is: in de tegenwoordige tijd wordt gij vervoegd als u (gij hebt, gij spreekt, gij eet), maar in de verleden tijd krijgt gij een extra t – behalve als de stam al op een t eindigt. Deze regel geldt voor alle werkwoorden. Voorbeelden: gij hadt, gij werdt, gij riept, gij at. Bij onder meer de werkwoorden komen, geven, zijn en zien krijgt gij in de verleden tijd de lange klinker van de meervoudsvorm: gij kwaamt, gij gaaft, gij waart en gij zaagt. Bij zwakke werkwoorden krijgt gij die extra t volgens de oude regels in de verleden tijd ook: gij wildet, gij hoordet.

Werkwoordsvervoegingen als gij/ge hadt zijn in het noorden van ons taalgebied sterk verouderd. In (Noord-)Nederland komt gij/ge niet meer voor in het dagelijkse taalgebruik. In het zuiden nog wel. De oude gij-vorm van de verleden tijd bij zwakke werkwoorden (zoals gij hoordet) lijkt overál uitgestorven.

In Taal als mensenwerk. Het ontstaan van het ABN (2004) schrijft Nicoline van der Sijs: “Ghi was oorspronkelijk een meervoudsvorm, en kreeg als werkwoordsuitgang -et: ghi hoordet, werket, leerdet. Toen gij ook voor het enkelvoud werd gebruikt, behield het werkwoord de oorspronkelijke uitgang: gij werktet.” Deze t viel trouwens al in de zeventiende eeuw vaak weg en later was de vorm zonder t bij zwakke werkwoorden het gewoonst (gij werkte), maar in de Statenvertaling werden de al verouderende vormen mét t gebruikt. De taalkundige P. Weiland nam in zijn grammatica van 1805 de vormen met t op, al leefden die toen nauwelijks meer in het dagelijks taalgebruik.

Bij de sterke werkwoorden bleven volgens Van der Sijs vormen als gij kreegt, gij kroopt, gij bondt, gij riept, gij gingt, gij sloegt, gij naamt, gij kwaamt en gij waart tot ver in de negentiende eeuw in gebruik.

Inmiddels zijn gij/ge en de bijbehorende vervoegingen in het noorden uit de taal verdwenen. Vervoegingen als gij hebt en zeker gij hadt zijn voor de meeste Nederlanders tegenwoordig een curiosum. De oude vervoegingsregel wordt niet verder gemoderniseerd – hij is als het ware ‘bevroren’ – omdat de vorm niet meer gebruikt wordt. Alleen in dictees komt nog weleens gij/ge hadt of gij/ge bondt voor. Voor België is de situatie anders: daar behoort gij/ge tot de informele spreektaal. De meeste Vlamingen zeggen gij hoorde, werkte gege riep en gij ging. Het is eigenlijk vreemd om daarnaast gij hadt en bondt ge (met een -t te schrijven) – waarom zou er een uitzondering moeten worden gemaakt voor de werkwoorden waarvan de stam op een -d eindigt? Voorlopig wordt dit echter nog wel gedaan.