1. ‘Dat lijkt me logisch’, lacht/zucht/grinnikt hij.
2. ‘Dat lijkt me logisch’, snapt/begrijpt/schokschoudert hij.

Wat is er aan de hand met de werkwoorden in beide zinnen? En waarom klinken de werkwoorden in zin 1 beter dan die in zin 2?

De werkwoorden lachen, zuchten en grinniken in zin 1 kun je met enige fantasie als varianten van zeggen beschouwen. Dat maakt ze geschikt om een citaat uit te luiden: ze geven aan dat de geciteerde persoon iets zegt en ook hóé hij of zij het zegt. Snappen, begrijpen en schokschouderen zijn echter geen ‘spreekwerkwoorden’. Dat maakt ze minder geschikt als citaatuitluiders (ook wel: ‘citaatinbedders’).

Blijkbaar accepteren we zulke citaatuitluiders dus gemakkelijker naarmate ze beter herkenbaar zijn als varianten van zeggen: roepen, schreeuwen, fluisteren, waarschuwen, vleien en verklaren zijn bijvoorbeeld allemaal heel gebruikelijk. De citaatuitluiders in zin 1 doen bovendien onmiddellijk denken aan het geluid dat gepaard gaat met lachen, zuchten en grinniken. Snappen en begrijpen in zin 2 zijn handelingen die zich in iemands hoofd afspelen en schokschouderen is iets wat alleen maar kunt zien. Deze werkwoorden zijn daardoor moeilijk op te vatten als varianten van zeggen en daardoor minder geschikt als citaatuitluiders.

Nog een paar voorbeelden met citaatuitluiders:

  • ‘Daar heb ik al aan gedacht’, knikte ze.
  • ‘Dat moet je niet doen’, drukte ze hem op het hart. 
  • ‘Hoe laat is het?’, gaapte hij. 
  • ‘Vooruit dan maar’, gaf hij zich gewonnen. [beetje vreemd]
  • ‘Laat haar met rust!’, kwam ze Sally te hulp. [beetje vreemd]
  • ‘De groeten! Ik vertrek!’, ging ze uit haar dak. [erg vreemd]