beekrombout
grote libellensoort
Citaat
“Met een klein laagje extra water moeten bijzondere soorten zoals de beekprik, rivierdonderpad en beekrombout de droge periode overleven.”
(Bron: ‘Waterschap pompt maand eerder overlevingswater in beken om natuur te redden’ – Jos Verkuijlen, Omroep Brabant, 14 juli 2026)
Betekenis
grote libellensoort
Uitspraak
beek-rom-bout
Woordfeit
Een beekrombout is een soort libel; het is een van de grotere soorten. Er zijn ook nog andere rombouten, zoals de rivierrombout, de plasrombout en de gele rombout.
De benaming rombout betekent zoveel als ‘rommelende/brommende pijl’ of ‘lawaai makend stokje’. Rom- komt van het middeleeuwse werkwoord rommen, dat ‘een rommelend geluid maken, lawaai maken’ betekende. Het verwijst waarschijnlijk naar het geluid dat deze insecten maken bij het vliegen. Met de heiligennaam Rombout heeft deze benaming niets te maken.
Bout is een oud woord, dat door de eeuwen heen verschillende betekenissen heeft gekregen. De oorspronkelijke betekenis is waarschijnlijk ‘stok’ of ‘staaf’. In de zin van ‘metalen staaf’ werd het in de middeleeuwen ook gebruikt voor ‘pijl’, en zo kwam bout bij vergelijking – vanwege de vorm van het lichaam van de libel – terecht in rombout. Ook in de libellensoort korenbout zit die betekenis van bout.
De bout die je samen met een moer gebruikt om voorwerpen aan elkaar vast te maken, komt ook voort uit de staafbetekenis. Dat geldt ook voor de eetbare bout zoals in kippenbout of konijnenbout: zo’n pootje heeft min of meer de vorm van een staaf. En strijkbout duidde ooit een ijzeren staafje aan dat verhit werd en dan in het strijkijzer werd gelegd; later kreeg het de bredere betekenis ‘strijkijzer’. Hoe het met schattebout zit, lees je in dit artikel.
De verdere herkomst van bout is overigens niet bekend. Wel zijn er in sommige talen nog verwante woorden te vinden, zoals het Engelse bolt in de betekenissen ‘grendel’, ‘pijl’ en ‘(bliksem)schicht’.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!