Als je een dialect spreekt of Engels kent, zie je wel overeenkomsten: spreek je een woord in het dialect of in het Engels uit met ‘ol’, dan krijgt het in het Nederlands ou en niet au. Helaas werkt dat vrijwel alleen voor bekende woorden als oud, goud en schouder, waar toch al bijna niemand over twijfelt; het gaat niet op voor de écht lastige gevallen als landauer, lauwerkrans, gewauwel, flambouw, houwitser, ouwel en wenkbrauw.

Er wordt weleens gezegd: als je het echt niet weet en je moet gokken, schrijf dan ou; die komt namelijk het meest voor in het Nederlands. Maar helemaal aan het begin van een woord is het bijna altijd au: aubade, augurk, aureool, auto (uitzondering: oubollig).

Hieronder staan een paar lastige gevallen:

dauw (druppels) douw (duw)
gauw (vlug) gouw (gewest)
kauw (vogel), zoetekauw kou (lage temperatuur)
lauw (halfwarm) lou loene (mispoes)
gelauwerd (geëerd) gelouterd (verbeterd, ervaren)
mauw (poezengeluid) mouw (kleding)
nabauwen (na-apen) nabouwen (namaken)
nauw (smal) nou (nu, tjonge)
rauw (ongekookt, ruw) rouw (treurnis)
wauw (uitroep) wouw (vogel)
wenkbrauw (boven je oog) brouwen, brouwer (van bier)

auwdouwer en rouwdouwer zijn allebei goed, zonder betekenisverschil.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar

Bel 085 00 28 428 Bel 085 00 28 428

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail