Waar komt iemands zwanenzang vandaan in bijvoorbeeld 'Dit gedicht was zijn zwanenzang'?

 

Iemands zwanenzang (of zwanezang) is eigenlijk het laatste gezang of gedicht van iemand voor zijn sterven, zijn laatste werk. Maar het kan ook gebruikt worden in een zin als 'Dit project wordt haar zwanenzang; ze heeft per 1 oktober een andere baan.'

De herkomst van deze uitdrukking is het volksgeloof dat een zwaan zingend zijn dood tegemoetgaat. F.A. Stoett merkt op dat dit geloof al bestond in de Klassieke Oudheid.

Het Etymologisch woordenboek van het Nederlands (EWN) vermeldt dat het woord zwaan mogelijk teruggaat op een heel oud woord met de betekenis 'klinken', waar ook het Oudengelse swinsian ('zingen') en het Latijnse sonus ('geluid') van zijn afgeleid. Waarschijnlijk is het dier dan genoemd naar het fluitend-gierende geluid dat het in de vlucht met zijn vleugels maakt. Maar het zingen dat een zwaan zou doen vlak voor hij sterft, heeft niets met de etymologie van zwaan te maken, aldus het EWN.

K. ter Laan vermeldt in zijn Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen dat de wilde zwaan inderdaad een mooi geluid maakt, maar dat dat niet per se vlak voor zijn dood klinkt. Verouderde benamingen voor de wilde zwaan zijn zingzwaan, zangzwaan en hoelzwaan (van hoelen, 'huilen'). De Latijnse naam was ooit Cygnus musicus; tegenwoordig heet hij Cygnus cygnus.