Waar komen de woorden smeerpoets en smeerkees (‘viezerik, smeerlap’) vandaan?

De herkomst van deze woorden verschilt. Bovendien is smeerpoets ouder dan smeerkees.

Smeerpoets

Smeerpoets is sinds de achttiende eeuw in gebruik. Het is een samenstelling van smeer (in de betekenis ‘vet’) en poets. Poets was oorspronkelijk poes (‘kat’). Een smeerpoes was dus eigenlijk ‘een vettige (vieze) kat’. Later werd dat ‘een (menselijke) viezerik’. Later veranderde poes onder invloed van het werkwoord poetsen in poets. Smeerpoets werd in de negentiende eeuw een algemeen bekend woord door het boek Piet de smeerpoets uit 1848, een vertaling van het boek Struwwelpeter van Heinrich Hoffman uit 1845.

Smeerkees

Smeerkees is voor het eerst aan het begin van de twintigste eeuw op schrift aangetroffen. De herkomst van dit woord is niet helemaal duidelijk. Mogelijk gaat het terug op de eigennaam Kees. Smeerkees betekende dan letterlijk iets als ‘vettig (vies) manspersoon’.

Smeerkees kan echter ook een vervorming zijn van Schmierkäs, een Duits-Bargoens woord voor ‘politieagent’. Dan zou smeerkees dus een resultaat zijn van volksetymologie, waarbij Nederlanders schmier in verband brachten met smeer, en käse met de eigennaam Kees.

Het Duits-Bargoense Schmierkäs is overigens gebaseerd op de Jiddische woorden sj(e)miere (‘wacht’, waar ook ons woord smeris op teruggaat) en ches (‘goochem, slim’, verwant met ons woord gis, dat ook ‘slim’ betekent).