Wat is juist: ‘Ze kan al goed Nederlands’ of ‘Ze kent al goed Nederlands’?

Kennen heeft de voorkeur: ‘Ze kent al goed Nederlands.’ Voor veel mensen is kan in deze zin echt een fout(je).

Kennen: ‘geleerd hebben, beheersen’

Volgens de taalnorm is kennen juist als bedoeld is ‘door studie of oefening geleerd hebben, beheersen’. Bijvoorbeeld:

  • Ik ken nauwelijks Frans. 
  • Ik zie dat je woordjes aan het leren bent. Ken je ze al een beetje?
  • Ik heb bewondering voor mensen die een ambacht kennen.
  • Evi kent de tafel van 12 al.

Kunnen: ‘in staat zijn te doen’, ‘mogelijk zijn’

Kunnen betekent ‘in staat zijn om iets te doen’, ‘ergens de capaciteiten voor hebben’ en ‘mogelijk zijn’. Voorbeelden:

  • Ze kan goed Nederlands spreken.
  • Hij kan heel hard fietsen.
  • Wat kun je erover zeggen? 
  • Het kan niet anders of je wordt aangenomen. 
  • Niet omdat het moet, maar omdat het kan.

Al eeuwenlang verward

Kunnen en kennen gaan uiteindelijk terug op dezelfde oeroude woordstam. Kennen is eeuwen geleden ontstaan als een zogenoemde ‘causatief’ van kunnen. Dat betekent dat kennen oorspronkelijk iets betekende als ‘doen kunnen’, ‘als resultaat hebben dat je iets kunt’. De Middelnederlandse vormen connen en het minder gebruikelijke cunnen betekenden al in de twaalfde eeuw ‘in staat zijn’ én ‘kennen, bekend zijn met’. Ook de latere vormen kennen en kunnen zijn altijd door elkaar gebruikt.

In de zeventiende eeuw ontstond de taalnorm die voorschreef dat kennen en kunnen van elkaar moesten worden onderscheiden. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands noemt Christiaen van Heule als een belangrijke voorvechter van dit onderscheid. Toch zijn deze werkwoorden voor een groot deel van de taalgebruikers nog steeds synoniemen.