Schrijf je naargelang als één woord of als twee (naar gelang)?

 

Naar( )gelang is als voegwoord één woord, maar als voorzetsel twee: naar gelang.

Naargelang kan op verschillende manieren gebruikt worden. Als voegwoord ('naarmate'), soms gevolgd door dat, wordt het altijd aaneengeschreven:

  • Naargelang (dat) de avond vorderde, verdween de spanning.
  • Naargelang ik meer ervaring kreeg, werkte ik sneller.
  • Hij zal zich wel meer op zijn gemak gaan voelen naargelang hij hier langer is.

Als voorzetseluitdrukking wordt naar gelang bij voorkeur los geschreven:

  • U betaalt naar gelang uw verbruik.
  • Naar gelang de belangstelling organiseren we extra bijeenkomsten.

De laatste zinnen kunnen ook met de voorzetselgroep naar gelang van of al naar gelang van worden geformuleerd: 'U betaalt (al) naar gelang van uw verbruik'; '(Al) naar gelang van de belangstelling organiseren we extra bijeenkomsten.'

Als vuistregel geldt dat naar gelang los is als er van achter staat of kan staan. In de overige gevallen is naargelang een voegwoord en wordt het aaneengeschreven.

Het Groene Boekje noemt naargelang een voegwoord, al staat die toevoeging er in de gedrukte versie niet bij. Van Dale (2005) schrijft echter ook naargelang van aaneen. De taaladviseur van de Vlaamse publieke omroep raadt aan naargelang altijd aaneen te schrijven, of het nu een voegwoord is of niet. Voorlopig houden wij nog vast aan het hierboven gemaakte onderscheid. Dit wordt namelijk ook bij andere woorden gemaakt, zoals zo( )lang. Als voegwoord wordt het aaneengeschreven ('Zolang er leven is, is er hoop') maar niet in een zin als 'Het duurt heus niet zo lang.' Vergelijk ook: 'We ontmoeten elkaar op station Utrecht en reizen van daar samen verder' en 'Ik ben verkouden; vandaar die rode neus.'