Waar komt de uitdrukking naar Canossa gaan vandaan en wat wordt ermee bedoeld?

Naar Canossa gaan betekent ‘het hoofd in de schoot leggen, zich onderwerpen, openlijk schuld bekennen’. Canossa is de naam van een voormalige rotsburcht in de plaats Reggio nell’ Emilia in Italië. De burcht werd overigens in 1255 verwoest.

Voor de verklaring van de uitdrukking moeten we terug naar de elfde eeuw. De Duitse keizer Hendrik IV (keizer van 1056 tot 1106) begon in 1073 een strijd met paus Gregorius VII over het recht om hoge geestelijken, zoals bisschoppen en abten, met hun ambt te bekleden (de zogeheten Investituurstrijd). In 1076 liet Hendrik IV de paus afzetten, die hem vervolgens in de ban deed en vervallen verklaarde. Om van de ban te worden ontheven moest Hendrik vergiffenis afsmeken aan Gregorius. Op het moment dat Hendrik dat wilde doen, op 25 januari 1077, had de paus zich teruggetrokken in de burcht Canossa. Hendrik volbracht de kerkelijk voorgeschreven boete door op drie achtereenvolgende dagen in boetekleed en blootsvoets voor de poort van dit kasteel te verschijnen. Hoewel het vernederend was voor de keizer om zich aan de paus te onderwerpen, leed de paus een grotere nederlaag dan de keizer: hij was genoodzaakt de keizer van de ban te ontslaan.

Aan deze gebeurtenis herinnert de uitspraak van Bismarck, gedaan tijdens de Kulturkampf (net als de Investituurstrijd een strijd tussen kerk en staat) in de Rijksdagzitting van 14 mei 1872: “Nach Canossa gehen wir nicht.” In deze uitspraak stelde hij naar Canossa gaan gelijk met ‘zich onderwerpen’. De uitspraak van Bismarck is een gevleugeld woord geworden. Er bestaat ook een variant van: de gang naar Canossa maken, waarmee ‘publiekelijk boete doen’ bedoeld wordt.