Is moraal juist in: 'Chocolade is slecht voor de lijn maar goed voor de moraal'?

 

Moraal is hier juist, maar het moreel kan ook. Beide woorden kunnen gebruikt worden in de betekenis 'geestelijke toestand', 'gemoedsgesteldheid'. Moraal heeft deze betekenis in het Nederlands nog niet zo lang; moreel wel. Sommige mensen gebruiken daarom liever het woord met de oudste rechten, en kiezen voor 'Chocolade is slecht voor de lijn maar goed voor het moreel.'

Moraal is in de zestiende eeuw overgenomen uit het Frans. Het werd in het Nederlands aanvankelijk gebruikt in de betekenissen 'de heersende zeden en gebruiken', 'iemands voorstelling van goed en slecht' en 'zedenles' (zoals in de moraal van het verhaal ...). In het Frans kan moral ook de betekenis 'stemming' hebben; avoir bon moral betekent 'goedgehumeurd zijn, het zien zitten'. Deze betekenis van moral is in de tweede helft van de twintigste eeuw ook uit het Frans geleend. Volgens sommigen is dit gebruik van moraal oorspronkelijk wielertaal ('Onze ploeg heeft veel moraal'). De recente woordenboeken vermelden deze nieuwere betekenis van moraal allemaal, soms met de opmerking dat het 'sporttaal' is.

Het onzijdige woord het moreel (eveneens afgeleid van het Franse moral, in de negentiende eeuw) betekent van oudsher al onder andere 'geestkracht', 'strijdlust' en 'gemoedsgesteldheid'. Moreel komt ook voor in de vaste verbindingen het moreel hooghouden ('de moed erin houden') en het moreel ondermijnen.

Sinds de achttiende eeuw komt moreel overigens ook voor als bijvoeglijk naamwoord, zoals in een moreel dilemma, een morele verplichting en morele chantage. Er bestond vroeger ook een bijvoeglijk naamwoord moraal – het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft een citaat uit 1699 waarin sprake is van “morale en stigtelyke overdenkingen” – maar dat raakte in onbruik in het Nederlands.