Waarom noemen we iemand die lui is een luilak

Het antwoord op deze vraag is helaas onduidelijk. De herkomst van lui- én die van -lak is onbekend. 

Lui komt in de vijftiende eeuw in het Nederlandse teksten voor. Het is misschien verwant met het Oudnoorse lúinn (‘uitgeput’).

De herkomst van lak is helemaal onduidelijk. Misschien is luilak in z’n geheel een verbastering van luizak, luibak en/of luilap. Dat zijn alle drie scheldwoorden voor luiaards die al in de zeventiende eeuw voorkwamen. Maar vroeger werd ook wel luie lak gezegd - dat maakt het minder aannemelijk dat luilak een soort variant is van luizak, -bak of -lap.

Piet Lak

Er wordt weleens geopperd dat luilak teruggaat op Piet Lak, een nachtwacht van het Amsterdamse stadhuis. Zijn luiheid werd beroemd omdat hij in 1672 in slaap was gevallen terwijl hij had moeten waarschuwen voor de oprukkende Fransen. Daarom werd hij later luie Lak genoemd. Dat zou dan weer later luilak zijn geworden. Dit verhaal wordt niet bevestigd door de naslagwerken, maar het doet al zeker een eeuw de ronde. Overigens slaagden de Fransen er in 1672 niet in Amsterdam te bereiken.

Zaterdag voor Pinksteren

De zaterdag voor Pinksteren wordt Luilak genoemd. Dat is een feestdag die vooral in Noord-Holland wordt gevierd. Degene die op deze zaterdag als laatste opstaat of ergens als laatste arriveert, wordt geplaagd. Soms staan anderen extra vroeg op om aan te bellen bij zogenaamde langslapers en telaatkomers. Ze zingen dan liedjes en rijmpjes voor hun huis. In het Duits heet deze langslaper Pfingstschläfer of Pfingstlümmel. Het achterliggende idee is mogelijk dat het een schande is op Pinksteren lang te slapen. Jan ter Gouw neemt in zijn boek de Volksvermaken dit rijmpje op:

Schande wie niet, vóór den dag,
Oprees uit de veêren,
Om de schoone Pinksterbloem
Zingend te vereeren.