Wat is het meervoud van kruis: kruisen of kruizen?

Het zelfstandig naamwoord kruis heeft twee meervouden: kruisen en kruizen. In alle betekenissen zijn beide meervoudsvormen mogelijk. Het Witte Boekje en diverse woordenboeken, waaronder Van Dale Hedendaags Nederlands en Van Dale Woordenboek Nederlands voor vmbo & mbo, maken tussen kruisen en kruizen geen betekenisverschil.

Kruis is aan het Latijn ontleend (crux) en had in het Middelnederlands een s-klank (cruce, crucen). Later werd kruisen steeds vaker aangepast aan meervoudsvormen als huizen en muizen. In het hedendaagse Nederlands zijn kruisen en kruizen allebei gebruikelijk.

Het Groene Boekje en een paar woordenboeken, waaronder de grote Van Dale, Koenen en het Prisma Handwoordenboek Nederlands, maken nog wel verschil tussen kruizen en kruisen. Kruisen is volgens deze naslagwerken altijd mogelijk; in enkele betekenissen, en dan met name 'kruisvormig teken' (zoals #, × of †) en 'deel van het lichaam', zou daarnaast ook kruizen goed zijn.

Het werkwoord kruisen ('een kruis slaan', 'kruiselings plaatsen/zetten/leggen', '(loodrecht) snijden') is met een s: kruisen - kruiste - gekruist. De vervoeging kruizen - kruisde - gekruisd is dus niet juist.