Waar komt kant-en-klaar vandaan?

Kant-en-klaar betekent ‘helemaal klaar voor gebruik’, ‘direct toepasbaar, verwerkbaar, eetbaar (enz.)’.

Het bijvoeglijk naamwoord kant kwam in de zestiende eeuw voor in de betekenis ‘kloek, stevig, flink (van mannen)’. In de zeventiende eeuw kwam daar de betekenis ‘in orde, gereed, klaar’ bij. Kant kwam in deze betekenis vooral voor in de verbinding klaer en kant. Later werd dat kant en klaar. De uitdrukking is in de loop van de tijd één begip geworden. Daarom moet het met twee streepjes geschreven worden: kant-en-klaar.

De precieze herkomst van kant in kant-en-klaar is helaas niet duidelijk. Het is waarschijnlijk verwant met het zelfstandig naamwoord kant in de betekenis ‘rand, zijde, waterkant’. Vermoedelijk is het oorspronkelijk een Nederduits woord. In de oudste vindplaatsen komt kant vooral voor als scheepvaartterm en in de volkstaal (de taal van de gewone mensen). Het kan dankzij Noord-Duitse scheepslui in het Nederlands terechtgekomen zijn (aldus het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands).

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt nog een uitdrukking met kant of klaar: “’t Is nooit zoo kant of klaar, of ’t hapert hier of daar.”