Wie waren de jongens van Jan de Witt?

Met jongens van Jan de Witt worden flinke mensen bedoeld; mensen op wie je kunt bouwen en die de handen uit de mouwen steken.

Volgens de spreekwoordenboeken is de Jan de Witt in deze uitdrukking oorspronkelijk niet de bekende zeventiende-eeuwse staatsman Johan de Witt. Volgens F.A. Stoett gaat het eigenlijk om Johan de Werd, een Duitse soldaat die in de zeventiende eeuw opklom tot maarschalk. Een jongen van Jan de Witt behoorde oorspronkelijk dus tot de manschappen van de gevreesde Jan de Werd.

Riemer Reinsma schrijft in het Onze Taal Taalcahier Gezegden over de uitdrukking jongens van Jan de Witt: “Naamgever was de Duitse generaal Johan de Werd, ook wel – ook door de Duitsers – Jan van Weert genoemd. De Werd werd omstreeks 1600 geboren in het plaatsje Büttgen. In de Dertigjarige Oorlog klom hij op van soldaat tot veldmaarschalk (dat werd hij in 1634). Een bron omschrijft hem als ‘een der stoutste [= dapperste] ruitergeneraals’. Het mag een beetje verbazen dat een Duitse militair wel de stof voor een Nederlands spreekwoord heeft geleverd, maar dat geen enkel Duits spreekwoord over hem rept. De verklaring zou kunnen zijn dat de naam De Werd al snel in verband werd gebracht met een roemruchte Nederlandse tijdgenoot, onze eigen Jan de Witt – al was die laatste misschien minder ‘stout’.”

Taaljournalist Ewoud Sanders vertelt in zijn NRC-rubriek Woordhoek meer over de geschiedenis van de uitdrukking jongens van Jan de Witt.