Waar komt je (niet) laten ringeloren vandaan en wat betekent het?
 

Wie zich laat ringeloren, laat anderen de baas over hem/haar spelen en/of laat zich de kaas van het brood eten.

Vroeger was het werkwoord ringelen in gebruik voor het ringen van dieren. Een stier ringelen wilde zeggen dat men hem een ijzeren ring door de neusgaten stak. Dat ringelen kon ook door het oor – dat was ringeloren. Door dieren te ringelen/ringeloren kon je ze in bedwang houden. Later gingen deze werkwoorden ook figuurlijk 'in bedwang/in toom houden' betekenen, en vandaar 'op de kop zitten', 'de baas spelen over'.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt dat ringeloren (en ringelen) zeer dikwijls van vrouwen wordt gezegd die de baas spelen over hun man. Jacob Cats dichtte in 1622: "Men vint in ouden tijd, en op ten dag van heden, Veel Prinssen wijt en breet van yder aengebeden, Geducht by al het volck, en deftigh van bedrijf, Maer in hun eygen huys geringelt van een wijf." Tegenwoordig wordt ringeloren niet meer opvallend vaak gebruikt in contexten waarin een vrouw 'de broek aan' zou hebben. Het is een algemene uitdrukking geworden. Je (niet) laten ringelen komt nog maar hoogst zelden voor.