Waar komt de uitdrukking je ergens met een jantje-van-leiden van afmaken vandaan en wat betekent het?

Je ergens met een jantje-van-leiden van afmaken betekent dat je er niet je best op doet: je raffelt het af, of je doet het maar half. Oftewel: je gooit er met de pet naar. Deze uitdrukking wordt ook weleens gebruikt in de betekenis 'je ergens met een smoesje van afmaken', 'met een mooi praatje ergens onderuit weten te komen'. Deze laatste betekenis is het oudst, maar is tegenwoordig minder gewoon.

In je ergens met een jantje-van-leiden van afmaken zit een eigennaam verborgen: die van Jan Beukelszoon van Leiden (1509-1536). Jan van Leiden werd opgeleid als kleermaker, maar was ook koopman en herbergier. Hij werd in 1534 een van de leiders van de wederdopers, een zestiende-eeuwse religieuze groepering. De wederdopers vonden onder meer dat alleen volwassenen gedoopt mochten worden.

Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) vermeldt dat Jan van Leiden bekendstond als een mooiprater, iemand met gladde praatjes. F.A. Stoett citeert een tijdgenoot van Van Leiden die spreekt van zijn "loos verciersel" ('loze praatjes') en zijn "schalck en gheveynst" ('sluw en onoprecht') karakter. Door deze slechte reputatie ontstond in de zeventiende eeuw de zegswijze het afleggen met Jan van Leyen, waarmee bedoeld werd 'zich ergens met een mooi praatje van afmaken'. In de twintigste eeuw is de betekenis 'glad, ontwijkend praatje' verschoven naar 'slordige, nonchalante manier'.

Het liep overigens slecht af met Jan van Leiden: hij werd op 22 januari 1536 ter dood gebracht.