Wat is juist: 'Hij jaagde op hazen' of 'Hij joeg op hazen'?

'Hij jaagde op hazen' heeft licht de voorkeur.

Het werkwoord jagen heeft twee verleden tijden: jaagde en joeg. Het heeft onder meer de betekenissen 'vervolgen om het buit te maken en te doden' en 'dwingen om te gaan, drijven, verdrijven'. De zwakke vorm jaagde is het oudst; in de zestiende eeuw kwam de sterke vorm joeg ook in gebruik.

Sommige taalgebruikers hebben er een voorkeur voor om de zwakke vervoeging te gebruiken voor 'op jacht zijn', dus: 'Hij jaagde op hazen.' De sterke vervoeging gebruiken zij voor 'wegjagen', 'drijven', bijvoorbeeld in: 'De overspannen basisschooldirecteur joeg de paashaas drie keer om het schoolgebouw' en 'De boer joeg de kippen uit zijn keuken.' In sommige taaladviesboeken en in een enkel woordenboek komt (nog) het advies voor om alleen jaagde te gebruiken in de betekenis 'op jacht zijn'. 'Hij joeg op hazen' is echter niet fout.