Is een gijzelaar iemand die anderen gijzelt of is het iemand die zelf gegijzeld wordt?
 

 

Een gijzelaar is iemand die gegijzeld wórdt. Daarmee is gijzelaar wel een vreemde eend in de bijt. Normaal gesproken betekent -aar achter de werkwoordsstam: 'persoon die de genoemde handeling verricht', zoals in bedelaar, brabbelaar en handelaar. Hierop bestaan enkele uitzonderingen: gijzelaar, martelaar, rammelaar (het speelgoed), dompelaar en kittelaar.

Gijzelaar is afgeleid van het Middelnederlandse gisel ('gijzelaar, borg'). Dit woord gisel werd niet meer herkend als persoonsaanduiding, en men plakte er daarom eerst vaak -er aan vast (giseler, ghijseler) en later -aar. Vervolgens zag men gijzelaar (eigenlijk dus ten onrechte) als een rechtstreekse afleiding van gijzelen. Het gevolg daarvan was verwarring over de betekenis van gijzelaar: voor veel mensen 'voelt' dit woord nu eenmaal als een synoniem voor 'iemand die gijzelt'. 

De hedendaagse woordenboeken geven de volgende omschrijvingen bij gijzelaar:

  • “1. iemand die gegijzeld wordt, syn. gegijzelde; (...) 2. terrorist, misdadiger die iemand gijzelt om bepaalde eisen af te dwingen, syn. gijzelhouder, gijzelnemer, kaper” (Van Dale, 2005);
  • “1. gegijzelde; 2. gijzelhouder” (Van Dale Hedendaags Nederlands, 2006);
  • “iem. die met zijn persoon borg blijft voor het vervullen van zekere beloften, eisen of voorwaarden” (het Witte Woordenboek 2007);
  • “iem die gevangen wordt gehouden (en met de dood bedreigd) om bep. eisen ingewilligd te krijgen” (Koenen, 1999);
  • “1. (...) gegijzelde; 2. ten onrechte soms: gijzelhouder” (Verschueren, 1996).

Gijzelaar wordt kennelijk al zo vaak opgevat als 'gijzelhouder' dat sommige woordenboeken deze betekenis inmiddels ook opnemen. Dat gijzelaar het slachtoffer én de dader kan aanduiden, is natuurlijk erg verwarrend. Het is eigenlijk het best gijzelaar te vermijden, en te spreken van een gegijzelde die gevangen wordt gehouden door een gijzelnemer of gijzelhouder.