Waar komt de uitdrukking driemaal is scheepsrecht vandaan?

 

Driemaal is scheepsrecht betekent meestal: 'als iets twee keer niet gelukt is, lukt het de derde keer vast wel'. Het wordt ook wel gebruikt om te rechtvaardigen dat je iets voor de derde keer doet, of als je iemand voor de derde keer tegenkomt.

De herkomst van deze uitdrukking houdt ongetwijfeld verband met de bijzondere status van het getal drie. Drie heeft immers altijd een grote symbolische waarde gehad vanwege de Heilige Drie-eenheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ook in de rechtspraak had het getal drie een bijzondere status. F.A. Stoett geeft een aantal voorbeelden:

  • Vroeger werd driemaal per jaar een gewone rechtszitting gehouden en zo'n rechtszitting duurde drie dagen.
  • Wie haperde bij het afleggen van de eed, werd geacht de eed niet afgelegd te hebben, maar bij belangrijke zaken kreeg men drie kansen om de eed vloeiend af te leggen.
  • Wie drie keer niet kwam opdagen bij een geding, moest de gevolgen daarvan volledig dragen.
  • Wie zijn 'macht' over een onroerende zaak (zoals een huis) wilde aantonen, moest die zaak drie dagen bezitten en drie gasten uitnodigen.
  • Bij verkopingen moest men soms driemaal bieden. Daaruit komt het nog steeds gebruikelijke 'Eenmaal, andermaal, verkocht!' voort.

Toch is de exacte herkomst van driemaal is scheepsrecht niet bekend. Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) vermeldt dat er weleens een verband is gelegd met het woord schepensrecht ('rechtspraak door schout en schepenen'). Dit woord is echter nergens aangetroffen, wel schepenrecht. F.A. Stoett verwijst naar gebruiken in het zeewezen waaruit blijkt dat driemaal ook op zee in vele gevallen 'recht' was, zoals:

  • De schipper was verplicht drie maaltijden aan de bemanning te geven.
  • Een “onbetamelijkheid onder het schaften” werd gestraft met drie slagen met de gortspaan (een driehoekig plankje met een korte steel, dat door de matrozen werd gebruikt om de gekookte gort fijn te wrijven). In het boek Woordenschat (1899) wordt deze straf een kapjen genoemd. Daarbij werd de volgende 'formule' opgezegd: “Dat is voor de bak (klap op de bakshut – de bak was een gedeelte van het bovendek bij de voorsteven, het verblijf van de matrozen) / Dat is voor je gat / Dat is voor je kwaad doen / En dat is opdat je het niet weer zult doen.” Wie zich versprak, moest de kastijding zelf ondergaan, aldus Woordenschat.
  • Een gestorven zeeman wordt met een 'één, twee, drie, in godsnaam' over boord gezet.