Wat is het best: bewegwijzering of wegbewijzering?

Deze woorden zijn allebei juist. Ze betekenen allebei ‘(iets, bijvoorbeeld een route) van wegwijzers voorzien, ergens wegwijzers plaatsen’ en ‘het geheel van verkeersborden en andere aanwijzingen voor weggebruikers’.

Bewegwijzering is gebruikelijkst. In het Rotterdamsch Nieuwsblad van 12 april 1913 is al sprake van “een bewegwijzering uwer Gemeente”. Vermoedelijk wordt het vanaf de jaren veertig steeds gebruikelijker. In 1942 merkte een lezer van Onze Taal namelijk op: “Bewegwijzering – Een leelijk woord! ‘Berijwielpading’, ‘bevliegvelding’? Dan ook: ‘bedieselmotoring’ van onze visschersvloot!” Lelijk of niet, het woord raakte ingeburgerd. In 1951 schreef de Motorkampioen over de uitstekende “bewegwijzering” in Portugal. Sinds 1961 staan bewegwijzeren en bewegwijzering in Van Dale.

Be- + wegwijzer + -en

Bewegwijzering is afgeleid van het werkwoord bewegwijzeren, dat is gevormd van het zelfstandig naamwoord wegwijzer. Met het voorvoegsel be- kun je van zelfstandige naamwoorden allerlei werkwoorden vormen. Bijvoorbeeld: bebossen (‘voorzien van bos, bos aanplanten’), beletteren (‘voorzien van letters, letters aanbrengen’) en bestickeren (‘voorzien van stickers, stickers plakken’). Dit procedé is al zeer oud. Er zijn in de loop van de tijd dan ook veel werkwoorden op deze manier gevormd. Denk aan beantwoorden, beïnvloeden, beklemtonen, belichamen, bevoordelen en bewaarheiden. Van al deze werkwoorden is een zelfstandig naamwoord op -ing te maken: bebossing, beantwoording, belichaming, bevoordeling en dus ook bewegwijzering.

Wegbewijzering is een samenstelling van weg en bewijzering. Vergelijkbaar zijn wegbebakening en wegbeplanting. Wegbewijzering is echter veel minder gangbaar dan bewegwijzering. Het is dan ook duidelijker om uit te gaan van wegwijzer dan van wijzer. Het historische Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt bij wijzer nog wel de betekenis ‘richtingbord’, maar deze betekenis ligt niet direct voor de hand.