Print deze pagina

Kant-en-klaar

Waar komt kant-en-klaar vandaan?

Kant-en-klaar betekent 'helemaal klaar voor gebruik', 'direct toepasbaar, verwerkbaar, eetbaar, enz.'

Het Etymologisch woordenboek van het Nederlands (EWN) vermeldt dat kant in de zestiende eeuw voorkwam in de betekenis 'kloek, stevig, flink (van mannen)' en in de zeventiende eeuw ook in de betekenis 'in orde, gereed, klaar'. In deze laatste betekenis kwam het aanvankelijk vooral voor in de verbinding klaer en kant; later werd dat kant en klaar.

De herkomst van het bijvoeglijk naamwoord kant is onduidelijk. Het waarschijnlijkst is een verband met het zelfstandig naamwoord kant in de betekenis 'rand, zijde, waterkant'. Misschien is het een equivalent van gekant in de betekenis 'van kanten voorzien, goed geschaafd'. In de oudste vindplaatsen komt het woord vooral voor als scheepvaartterm of als volkstalig woord en het kan dus heel goed door Noord-Duitse scheepslui in Nederland geïmporteerd zijn, aldus het EWN. Hierop wijzen ook vergelijkbare woorden en uitdrukkingen in het Fries en Engels en in de Scandinavische talen.

F.A. Stoett neemt in zijn spreekwoordenboek aan dat kant oorspronkelijk 'netjes' betekende. Hij citeert Winschootens Letterkonst, Sijnde het eerste deel van de Neederlandse Spraakkonst uit 1683: "Dat is kant, dat is wel, dat is soo."

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt nog een zegswijze met kant en klaar erin: ''t Is nooit zoo kant of klaar, of 't hapert hier of daar.'

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender