Page 20 - OnzeTaal_febmrt2019_HR
P. 20

vooral leiden door het verhaal. Ik werk niet met sche-
            ma’s. Er is geen plan.”
            Dat wordt in de novelle ook gezegd van het hoofdper-
            sonage, een leraar die een roman probeert te schrij-
            ven.
            “Deze Arthur heeft inderdaad geen plan, maar wel een
            verhaal dat diep in zijn ziel zit. Zo voel ik dat ook altijd.
            Arthur krijgt hulp om dat verhaal op te diepen, en hij is
            aanvankelijk dolblij met de aandacht die een wél ge-
            slaagde auteur voor zijn eerste werk heeft.”
            Die mentor stelt vast dat Arthur passages heeft door-
            gestreept die later weer hersteld zijn. Dat lijkt ook op
            uw manier van werken?
            “Ik ben voortdurend aan het schuiven met zinnen. Soms
            streep ik een stuk door, omdat ik opeens zie dat het een
            vreselijk cliché bevat of niet ter zake doet. Het kan ge-
            beuren dat ik later in het verhaal terugdenk aan zo’n
            passage en uiteindelijk vind dat die wél heel mooi is. Al
            schrijvend zit ik tussen twee polen. Ik ben enerzijds ge-
            concentreerd en gespannen: wat zal er gebeuren? Ander-
            zijds moet ik juist heel ontspannen zijn om ‘het’ te laten
            gebeuren.”

            PAPIERTJES
            Hebt u rituelen die helpen om in die juiste ‘schrijf-
            modus’ te komen?
            “’s Ochtends rond half zeven begin ik hier beneden aan
            deze ovale tafel. Dan is het heerlijk rustig. Eerst schrijf
            ik alles met de hand. Ik gebruik altijd geslepen potloden
            met verschillende kleuren. Zeven stuks, het heilige    vaak tot een uur of half elf. Dan ga ik Sarah, onze hond,
            getal.”                                          uitlaten. Maar ik blijf in mijn hoofd doorschrijven.”
            Net als Arthur.                                  Ooit citeerde u schrijver Willem Brakman: “Schrijven
            “O ja? Komt dat in het verhaal voor? Dat wist ik niet   is geen activiteit maar een toestand.”
            meer. Maar zo schrijf ik dus ook. Met rood zet ik pijltjes   “Ik ben er dag en nacht mee bezig. Tegen Sarah praat ik
            om een stukje tekst te verplaatsen bijvoorbeeld. Ik heb   in fraaie zinnen die met het boek te maken hebben. Toen
            ook een typische schrijfhouding, kijk zo.” Siebelink zet   ik nog docent was, had ik mijn tafel in de klas vol liggen
            zijn linkerelleboog op tafel, zijn hoofd rust in de palm   met gekleurde papiertjes. Tijdens een les over bijvoor-
            van de linkerhand. Z’n rechterhand golft gracieus met   beeld het Franse classicisme konden er bij mij opeens
            een potlood over een denkbeeldig stuk papier. “Later typ   allerlei laatjes opengaan. Dan viel mij iets in voor een
            ik boven op mijn werkkamer alles uit. Ik heb geen com-  roman, een essay of een interview dat ik met een Franse
            puter. Bij het uittypen verandert er nog heel veel. Ik voel   schrijver zou hebben. Ik liep snel naar mijn tafel en
            donders goed aan als iets niet deugt. Dan is het bijvoor-  noteerde het. De leerlingen wisten dat. Zo kon ik leraar,
            beeld te rommelig, ik wil te veel zeggen of laat te veel   journalist én schrijver tegelijk zijn. Mijn tijd gebruik ik
            namen vallen. Ik ben streng voor mezelf. Zo werk ik   heel effectief.”

















      ONZE TAAL 2019  —  2/3













   20       Fragment uit het manuscript van Jas van belofte (blz. 13), het Boekenweekgeschenk 2019.
   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25