De Troonrede zal ook dit jaar waarschijnlijk weer net iets makkelijker zijn dan vorig jaar. Met minder moeilijke woorden. En met kortere zinnen. Want kort is goed. Toch?

Raymond Noë | 21 september 2010

Vorige week werd bekend dat Tom Lanoye de Tzum-prijs heeft gewonnen. Dat is een prijs van het tijdschrift Tzum voor de mooiste literaire zin van het afgelopen jaar. Hier komt-ie:

“Vijftien jaar had de badkamer met de caravanafmetingen probleemloos dienstgedaan, de sporadisch gekneusde knie niet te na gesproken van wie zich, zijn toilet makend of zich scherend voor het lavabootje, te bruusk omdraaide en aan den lijve moest ervaren hoe gering de speling was gebleven tussen rand en wand.”

Lange zinnen

Lanoye krijgt er een beker voor, en € 49,-: één euro voor ieder woord uit de zin - maar goed dus dat-ie zo lang is. Nu zijn ze bij Tzum sowieso dol op lange zinnen, want de gemiddelde zinslengte van de prijswinnaars van hun sinds 2002 bestaande prijs is maar liefst 41 woorden.

Onder de nominaties bevonden zich heus wel korte zinnen (zoals “Een vrolijke begrafenis maakt heel erg duidelijk dat de dood een catastrofe is” van A.L. Snijders), maar blijkbaar wordt een zin pas echt mooi als hij zich langs meerdere komma's naar het einde slingert. Erkende juweeltjes als “Zie je ik hou van je, ik vin je zo lief en zo licht” (Herman Gorter) en “Voor wie ik liefheb, wil ik heten” (Neeltje Maria Min) waren bij voorbaat al kansloos geweest. Want te kort.

Troonrede

Die voorkeur voor lang is opmerkelijk, omdat we eigenlijk helemaal niet van lange zinnen horen te houden. Ze zijn te moeilijk en te onoverzichtelijk voor ons, vinden de deskundigen. En daarom zijn er in de afgelopen veertig jaar miljoenen lange zinnen in steeds kortere delen geknipt. Want kort is goed. Want leesbaar.

Dat kort goed is, geldt zeker ook voor de Troonrede, die vandaag wordt uitgesproken. De regering streeft ernaar de 'toestand van ons land' zo simpel mogelijk te beschrijven, en slaagt daar ook steeds beter in. De voornaamste kritiek - als die er al is - van de laatste jaren is dat de stijl nog te droog en te ambtelijk is.

Nu is stijl zeg maar niet echt het ding van onze regering. Hoeft ook niet, want de Troonrede is een formele blik op de toekomst, voorgelezen door de koningin, en geen oudejaarsconference. Maar als je de Troonrede van 1990 naast die van vorig jaar legt, zie je dat er in twintig jaar zeer veel verbeterd is, ook qua stijl. En de Troonrede van vandaag zal waarschijnlijk nog weer wat 'leesbaarder' zijn.

Tekstversimpelaars

Het is helemaal in de geest van deze tijd om alles steeds eenvoudiger en leesbaarder op te schrijven, maar het doet je je wel afvragen of het niet eens een keer andersom zou moeten. Maak de Troonrede weer eens wat moeilijker, en zet er zinnen in als:

“De regering stelt zich vol enthousiasme ten doel de komende jaren eens flink de schouders te zetten onder het taalonderwijs op de Nederlandse scholen, zowel aan onze kinderen als aan alle inburgeraars, en wel zodanig dat alle schoolverlaters zo taalvaardig zijn dat ze in staat zijn complexe zinnen vol bijstellingen en bijwoordelijke bijzinnen te lezen en te begrijpen zonder dat deze eerst door tekstversimpelaars onder handen zijn genomen - en daar hebben we veel geld voor over.”

En daar mag de koningin dan best de Tzum-prijs voor krijgen, volgend jaar. Bestaande uit een beker en € 76,-.


Meer Nu.nl-columns van Onze Taal