Over retorica en politiek

Frits Bolkestein

Voor de totalitaire staten van deze eeuw was taal een belangrijk instrument. Bepaalde woorden, maar ook dialecten of andere afwijkingen van de standaardtaal, waren uitdrukkelijk verboden. Hun plaats werd ingenomen door de holle frasen van het ideologische taalgebruik, zoals 'de verontwaardigde massa's van boeren, arbeiders en soldaten', 'de dictatuur van het proletariaat is de vrijheid van het volk' en ' jij bent niets, je volk is alles'. In het vroegere Oostblok werd dat de 'houten taal' genoemd. Dergelijk ideologisch taalgebruik kenmerkt zich door een boodschap die boven elke twijfel is verheven. Het vormt de vlag op een bedenkelijke lading. Argumentatie is overbodig, vraagtekens zijn ongewenst.

Binnenhofbargoens

In een democratie zijn holle frasen niet genoeg. Overtuigingskracht speelt hier de voornaamste rol. Het recht van de sterkste heeft plaatsgemaakt voor de kracht van argumenten en van presentatie. Die kunnen niet zonder elkaar. Argumentatie doet een beroep op het verstand, presentatie op het gevoel. De kiezer vormt zijn oordeel op basis van beide. Maar is de Nederlandse politicus zijn belangrijkste instrument – taal – voldoende meester?

Onze premiers zijn vermaard, soms zelfs berucht om hun taalgebruik. Den Uyl kon langdradig zijn, maar uit zijn voordracht spraken hartstocht en vastberadenheid. Het taalgebruik van Van Agt was befaamd om zijn archaïsche karakter en had daardoor een zekere relativerende werking. Van Agt werd opgevolgd door een premier met een zo bijzonder taalgebruik dat er een speciale term voor werd bedacht: het Lubberiaans. Volgens Jan Blokker wordt iemand die zich in het Lubberiaans uitdrukt “niet geëerd om zijn eloquentie maar gewantrouwd om zijn dubbeltongigheid”. De huidige voorzitter van de ministerraad kenmerkt zich door een zakelijke, nuchtere aanpak. Dat heeft ook de nodige nadelen. Volgens Gerrit Komrij is het nog altijd wachten op een memorabel woord van de premier: “Zoals het nu is, blijft er niet één woord – en dus ook niet één idee – in je hoofd haken zodra je de naam Wim Kok hoort.”

De toenmalige Tweede-Kamervoorzitter Dick Dolman wees begin jaren tachtig op een trend binnen de politiek waar hij zich aan stoorde: de langdradige betogen, vol niet-bestaande woorden en jargon. Zelf heb ik dit specifieke taaltje in 1993 het 'Binnenhofbargoens' genoemd. Dolman beweerde ronduit: “Nederlandse parlementariërs spreken vervelend, slecht, onpersoonlijk en afgezaagd.” Hij zag weinig uitzonderingen hierop. Dolman wilde meer levendigheid in het debat en pleitte daarom voor terughoudendheid bij interrupties en vooral in de spreektijd. Dolman zag als oorzaak van parlementaire langdradigheid dat politiek weliswaar een roeping is gebleven, maar ook meer en meer een vak is geworden. Het logische gevolg van de professionalisering van de politiek is een toenemend gebruik van vaktermen.

Wolligheid loont?

De professionalisering van de politiek hangt samen met de onstuimige groei van de overheidssector. Die heeft gezorgd voor een toegenomen complexiteit. Om deze complexiteit de baas te zijn, worden politici soms uit “het veld” gerecruteerd. Dat leidt behalve tot het gebruik van specialistische vaktermen ook tot een bovenmatige aandacht voor details en tot wollig en langdradig taalgebruik. Uit recent onderzoek van VNO/NCW blijkt dit eens te meer. Overheid en semi-overheid zijn oververtegenwoordigd in alle geledingen van de Nederlandse politiek. Zo heeft iets meer dan de helft van de Tweede-Kamerleden een achtergrond bij overheid of semi-overheid. Maar het aandeel van overheid en semi-overheid binnen de potentieel verkiesbare bevolking bedraagt slechts 18%. VNO/NCW spreekt daarom van een democratie van ambtenaren en leraren.

Een andere belangrijke oorzaak van de parlementaire omslachtigheid is terug te voeren op de cultuur en de kenmerken van ons politieke stelsel. Bij coalitievorming, pacificatiepolitiek en consensus hoort een cultuur van plooien, schikken en compromissen. Die brengt haast onvermijdelijk een verhullend en omslachtig taalgebruik met zich mee. Uitgesproken standpunten zijn binnen deze cultuur bijna taboe geworden. Bij stevige taal wordt de boodschapper al snel als 'populist' gebrandmerkt of speelt hij in op 'onderbuikgevoelens'. Hoe anders is dit in het Verenigd Koninkrijk, waar men in politieke debatten gewend is aan harde confrontaties.

Binnen de Nederlandse politieke verhoudingen lijkt het vaak lonend zich vaag of wollig uit te laten. Dat dient dan om ware bedoelingen te verbergen, niemand voor het hoofd te stoten of kritische vragen te omzeilen. George Orwell zei in dit verband:

Onoprechtheid is de grote vijand van helder taalgebruik. Als er een verschil is tussen doeleinden die men beweert na te streven en werkelijke doeleinden, zal men bijna instinctief gebruik gaan maken van lange woorden en gemeenplaatsen, als een octopus die wolken inkt verspreidt.

Niet alleen politici bezondigen zich aan het Binnenhofbargoens. Ook het uitgelezen clubje van ambtenaren, journalisten, lobbyisten, wetenschappers en belanghebbenden dat in en rond het Binnenhof vertoeft en de opiniepagina's van kranten en weekbladen vult, doet daaraan mee. Zo is een circuit van – om een leenwoord te gebruiken – 'insiders' ontstaan. Binnenhovelingen is misschien een goed woord voor dit gezelschap. Het spreekt niet alleen dezelfde 'hoftaal' maar stelt ook het politieke woordenboek samen.

Legitimiteit

De historicus Ankersmit wijst erop dat binnenhovelingen belang hebben bij vaktaal in plaats van beeldspraak. Het doel is een eigen autonome wereld, vol abstracte vaktermen en onbegrijpelijke afkortingen. Politieke macht is dan voorbehouden aan diegenen die dit Haagse 'dialect' spreken. Aan deze kenmerken van het Haagse bedrijf kleven belangrijke nadelen. Overheid en politiek hebben de dure plicht op een duidelijke wijze met de burger te communiceren. Dit betekent dat politici en ambtenaren helder moeten spreken en schrijven.

Daarnaast moet het politieke debat zich tot de hoofdlijnen beperken. De huidige debatten verzanden te vaak in details, uitingen van vakkennis en langdradige betogen. Intern kunnen die veel voordelen opleveren. Maar de keerzijde ligt in de externe communicatie. Het debat wordt onbegrijpelijk en dus oninteressant voor het grootste deel van de burgers. Daardoor dreigt de politiek ook haar overtuigingskracht te verliezen. De kiezer ziet het verschil tussen de opvattingen van de politieke partijen niet meer. Dat komt niet ten goede aan het openbare karakter van de democratische besluitvorming en het verkleinen van de afstand tussen kiezer en gekozene. Op de langere termijn kan de politiek daarmee haar eigen legitimiteit ondergraven.

De samenhang tussen overtuigingskracht en politieke taal is dus een belangrijk thema. Ook in de politiek geldt dat wie de vorm beheerst, de inhoud meester is. Meer aandacht voor welsprekendheid kan daarom de band tussen kiezer en gekozene versterken. Dat levert zowel goede sprekers als kritische luisteraars op.

Vaste metaforen

De jaren zeventig worden vaak geroemd om de helderheid van het politieke debat. Maar de inhoud van het debat was destijds niet anders dan nu. Toen bevonden zich vele aansprekende persoonlijkheden onder de Nederlandse politici, zoals Den Uyl, Van Agt en Wiegel. Zij slaagden erin hun boodschap helder op media en publiek over te brengen. Zij maakten daarbij gebruik van vaste metaforen die aansloten bij hun politieke visie en denkwijze. In die denkwijze overheerste het idee van strijd.

Ik geef als voorbeeld de wijze waarop de toenmalige fractievoorzitter van de PvdA, Ed van Thijn, de periode van het kabinet-Den Uyl beschrijft. Hij roept een maatschappelijk beeld vol scherpe tweedelingen op. De “weerstand”  tegen progressief beleid was groot. Men werd “met diep wantrouwen besnuffeld”. Er waren “felle haatcampagnes” van rechts. “Nieuwe scheidslijnen tekenen zich af, dwars door het oude klassenmodel heen”, vond Van Thijn. Er was sprake van “een Wiegeliaanse lofzang op de bevoorrechte groepen”. De VVD was “een keiharde pleitbezorger” van de belangen van de grote ondernemingen. Toen hij terugblikte op de jaren '73-'77, schreef Van Thijn dat de bewindslieden zich in een “strijdsituatie” bevonden. Men ging het gevecht aan en zat daarbij “in de voorste linies”. Men streed tegen “geharnaste tegenstanders”, tegen “een kordon” van economische machtshebbers, die “schoten voor de boeg” leverden. Dat was nog eens duidelijke taal!

De door Van Thijn gehanteerde metaforen roepen het beeld op van een klassenstrijd: een kabinet in oorlog met de machtige bevoorrechte elites van het land. De goede verstaander weet dat dergelijke beeldspraken meer zeggen over de politicus en zijn ideologie dan over de situatie zelf. Wij leren hieruit dat woorden en beeldspraken niet noodzakelijk de werkelijkheid weerspiegelen, maar veeleer een visie ondersteunen. Taalgebruik moet binnen de smalle marges van de ideologie passen. Die marges beïnvloeden het stilistisch proces van weglaten, vergroten en bijkleuren.

Holle frasen

Beeldspraken kunnen uiterst effectief zijn. Wie Europese integratie vergelijkt met fietsen, heeft maar één doel: voorkomen dat het integratieproces tot stilstand komt. Want dan verliezen we ons evenwicht en vallen we om. Dit voorbeeld geeft tegelijk aan dat men zich niet moet laten vangen in het beeld dat de tegenstander oproept. Ikzelf geef er de voorkeur aan de Europese integratie te zien als een eik die langzaam tot volle wasdom komt.

Beeldspraken kunnen overigens verraderlijk voor de gebruiker zijn. Aan het einde van het kabinet-Den Uyl waarschuwde de toenmalige minister van Economische Zaken drs. R.F.M. Lubbers voor ziekteverschijnselen in de economie. Een genezingsproces was volgens hem geboden. Meer dan tien jaar verder herhaalde hij het: “Nederland is ziek.” Dat vormt aanleiding een vraagteken te zetten bij de kwaliteiten van de geneesheer, die toen al twee kabinetten lang de pols van de patiënt had vastgehouden.

Er is dus een samenhang tussen woordgebruik en politieke opvatting. Partijen kennen alle hun gemeenplaatsen. De socialist spreekt over “solidariteit”, waar de liberaal “sociale rechtvaardigheid” en de christen-democraat “gemeenschapszin” gebruikt. Waar de D66'er over spreekt, zou ik zo snel niet weten.

Politieke gemeenplaatsen hebben voor gebruikers en hun aanhang een duidelijke positieve of negatieve gevoelswaarde. Wee diegene die afbreuk durft te doen aan de solidariteit! Een voorbeeld van een politiek cliché met een negatieve gevoelswaarde is het begrip Amerikaanse toestanden. Geen beter middel om politieke ontwikkelingen negatief te brandmerken dan te beweren dat zij tot 'Amerikaanse toestanden' leiden. Daarmee is dit cliché het moderne equivalent geworden van wat vroeger als 'Sodom en Gomorra' werd aangeduid. Ook voor deze clichés geldt dat zij op den duur zonder nadere argumenten tot holle frasen verworden.

Meer stijl

Ik kom tot het slot van mijn betoog. Het huidige gebrek aan politieke overtuigingskracht en een helder politiek debat wordt dus voor een groot deel bepaald door de vier kenmerken van ons politieke systeem. Ten eerste de opkomst van de beroepspoliticus. Ten tweede de groei van de collectieve sector met de daarmee gepaard gaande complexiteit. Ten derde de eenzijdige recrutering van politici-woordvoerders uit verwante specialistische beleidsvelden binnen de overheid of de semi-overheid. Ten vierde de consensusgerichte wijze van politiek bedrijven die verhullend en wollig taalgebruik lonend maakt.

De ambtelijke werkwijze van de Kamer wordt niet doorbroken door de structuur of de organisatie te veranderen, maar slechts door een mentaliteitsverandering bij politici zelf. Die vereist moed. Moed om een heldere en onafhankelijke stelling in het debat te betrekken. Om ook als regeringspartij geen blad voor de mond te nemen. Om het debat te beperken tot de hoofdlijnen en niet te zwichten voor de terreur van ambtelijke detailkennis. En om helder en begrijpelijk te spreken. De jaren zeventig bewezen tot op zekere hoogte dat dit mogelijk is. Retorica speelde toen een belangrijke rol in de politiek. Maar doordat die politiek te eenzijdig in het teken van strijd stond, kwam argumentatie op het tweede plan. Daarmee verviel de retoriek tot holle frasen. Argumentatie en presentatie kunnen niet zonder elkaar.

In het huidige tijdperk is meer aandacht voor de vorm waarin politiek wordt bedreven, weer noodzakelijk. Aandacht voor overtuigingskracht en de regels van de welsprekendheid kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Een overtuigend betoog is gebaseerd op een goed gestructureerd verhaal, enkele kwinkslagen en stekeligheden, heldere en korte zinnen, een gedoseerd gebruik van metaforen en citaten, een goede lichaamstaal en vooral sterke argumenten.

Politieke meningsverschillen draaien uiteindelijk altijd om de inhoud. Maar de presentatie kenmerkt zich door een bepaalde stijl. Die vorm verzwakt, nuanceert of overdrijft, vestigt de aandacht of versluiert. Maar altijd geldt: de stijl – dat is de vrouw zelf.