16 februari 2010

Grote beroering in taalland vorige week. Minister Plasterk riep een halt toe aan 'hun hebben', al is de opmars daarvan volgens taalkundigen onstuitbaar. Wie heeft het hier eigenlijk voor het zeggen?

Vier Nijmeegse taalwetenschappers hebben onderzoek gedaan naar het gebruik van 'hun' als onderwerp, zoals in 'Hun lagen op bed.' De belangrijkste conclusies: 1. 'hun hebben' is een blijvertje; 2. het is eigenlijk best handig, want 'hun' verwijst altijd duidelijk naar personen (en niet bijvoorbeeld naar lakens).

Nieuwe taalregel

De verontwaardigde reacties waren niet van de lucht. Veel mensen dachten zelfs dat 'hun hebben' nu een nieuwe taalregel was.

En onverwacht gooide minister Plasterk (van Onderwijs) olie op het vuur, door in nrc.next te schrijven dat hij als voorzitter van de Nederlandse Taalunie mooi niet tolereert dat 'hun' zo wordt gebruikt. In De wereld draait door deed hij het nog eens dunnetjes over.

Spelling

Hij maakte daarbij een flinke vergissing. De overheid heeft wél iets te zeggen over spelling, en doet dat in het Groene Boekje, maar schrijft niet voor hoe mensen zinnen (mogen) maken, en dus ook niet of 'hun hebben' goed of fout is. De Taalunie heeft daar wel een advies over op haar website, maar zo'n advies is geen bindend voorschrift.

Dat taalkundigen de vloer aanveegden met de minister en zijn ondeskundige uitspraken is dan ook niet verwonderlijk.

Maar ja, taalkundigen hebben makkelijk praten. Zij hoeven niet te zeggen wat goed en fout is. Ze bestuderen taal, en hebben als uitgangspunt dat een taalvorm nooit fout is als mensen die systematisch gebruiken. Taal verschilt van groep tot groep, van mens tot mens en van tijd tot tijd. Daarbij spelen goed en fout geen rol van betekenis.

Goed of fout

Intussen willen mensen wel weten hoe het moet, zeker mensen die bij taal wél in termen van goed en fout denken. Docenten bijvoorbeeld, of tekstschrijvers, maar ook juristen, voor wie taal heel nauw luistert.

En dus is er in de standaardtaal wel een norm, die wordt uitgedragen door onder meer leraren en taaladviseurs. Alleen is die norm uiteindelijk gebaseerd op het taalgebruik van alle sprekers - dus in feite bepalen wij zélf wat de norm is, of wordt. Vandaar dat die kan verschuiven.

Een voorbeeld: anderhalve eeuw geleden was 'het huis daar ik woon' normaal Nederlands; nu is het 'het huis waar ik woon', omdat iedereen het op een gegeven moment zo zei. En in de zeventiende eeuw zei iedereen 'Gij gaat naar huis'; hier mocht je geen 'u' gebruiken. Een eeuw later hoorde je overal 'U gaat naar huis', en geen haan die er nu nog naar kraait. Bij 'hun' zou het best weleens dezelfde kant op kunnen gaan.

Boventoon

Taalnormen zijn dus niet absoluut. Hoezeer je er ook de baas over zou willen spelen, af en toe moet je een stukje mee opschuiven. De norm is nú 'zij hebben' of 'ze hebben', maar we moeten niet raar opkijken als over honderd jaar 'hun hebben' de boventoon voert.

Taalverandering is een kenmerk van vitaliteit; een taal die niet meer verandert is een dode taal. En dat zal toch het laatste zijn wat een minister wil?


Meer Nu.nl-columns van Onze Taal