De preekcultuur in Nederland

Drs. Jacobine D.C. Geel

“En nu ga ik u iets anders zeggen en dat is: er is een zon van alle zonnen, een leven van alle leven, er is een licht van alle licht en dat is God.”

“Het licht van Christus laat ons zien dat de orde van deze wereld, ook de orde van de zogenaamde christelijke wereld, wanorde is, land van de dood. Datzelfde licht roept ons op tegen deze orde, die wanorde is, 'nee' te zeggen, de noodkreet: 'Ontwaakt slapenden, staat op uit de doden'!”

Deze twee citaten komen uit preken van respectievelijk K. Toornvliet en J.J. Buskes, twee gevierde kanselredenaars van deze eeuw. Het zijn duidelijk historische fragmenten. De overgrote meerderheid van de ongeveer 300.000 preken die tegenwoordig jaarlijks in ons land worden gehouden, is rustiger van toon. Wat dertig, veertig of vijftig jaar geleden volle kerken trok, komt ons nu misschien overdreven of zelfs lachwekkend voor. Goed voor typetjes als dominee Gremdaat, het bekende alter ego van Paul Haenen, maar nauwelijks serieus te nemen als verkondiging van het Woord. Dat neemt niet weg dat genoemde predikanten hun vak verstonden. Deze “makelaers in ongesiene waren” – de aanduiding is van Constantijn Huygens – wisten de mensen voor hun product te winnen. Zij spraken voor hún tijd overtuigende taal.

Doorgeefluik

Het verschijnsel preek trok het afgelopen jaar een meer dan gemiddelde belangstelling. Aanleiding was een door het dagblad Trouw uitgeschreven preekwedstrijd. De aankondiging van die wedstrijd had een stroom van ingezonden brieven tot gevolg. Tegenstanders waren geschokt door zoveel trivialiteit en ijdelheid, voorstanders vonden de wedstrijd een aardige manier om de preek weer eens ter discussie te stellen. Aan welke kant iemand stond, werd uiteraard bepaald door de opvatting over de preek die zij of hij huldigde.

Die opvattingen liepen nogal uiteen; zoveel hoofden, zoveel zinnen. Zeker als het gaat om de preek in een land dat – hoe geseculariseerd ook – nog altijd doorgaat voor domineesland. Toch laten de opvattingen zich in ruwweg drie categorieën onderbrengen. Er waren tegenstanders op theologische gronden. Naar hun mening had het verkondigen van Gods Woord niets met retorica of mondelinge presentatie te maken. De dominee is een doorgeefluik. Of, zoals één predikant het formuleerde: “Alleen als God het geeft, lichten broze mensenwoorden op tot het woord Gods.” Anderen hadden liturgische bezwaren. Een preek staat niet los van de kerkdienst waarin ze gehouden wordt en kan dus ook niet op zichzelf beoordeeld worden. Een boze godsdienstsocioloog mopperde in dit verband dat de wedstrijd inspanningen van jaren ongedaan maakte: de preek – een in zijn ogen verouderd, want veel te eenzijdig communicatiemiddel – stond opnieuw in het middelpunt van de aandacht. En dan waren er de voorstanders. Hoewel zij het met het voorgaande niet per se oneens hoefden te zijn, vonden zij dat preken een vak is. Niet ieders vak, maar juist daarom kon het geen kwaad bij die kant van de zaak stil te staan. Zoals een docent van mij pleegde te zeggen: “De Geest waait waarheen zij wil, maar we hoeven haar niet voortdurend voor de voeten te lopen.”

Andere werkelijkheid

Wat is een preek? Volgens het woordenboek een leerrede of vermaning op gewichtige toon. Volgens iemand die het weten kan – een hoogleraar in de kanselwelsprekendheid – een instrument om “mensen vanuit hun eigen situatie in gesprek te brengen met de christelijke traditie in het algemeen en met de bijbel als bron van die traditie in het bijzonder”. Dat klinkt al heel anders.

Technisch bekeken is de preek een bijzondere vorm van openbare rede. Het bijzondere zit hem in het uitgangspunt (een of meer bijbelgedeelten) en de context waarin deze toespraak wordt gehouden: een kerkelijke of godsdienstige gemeenschap. Dat dit meer is dan het lijkt, heeft te maken met het beoogde effect van de preek. Gevraagd naar de reden waarom ze nog altijd in de kerk komt, zei een vriendin ooit: “Om af te stemmen op een andere werkelijkheid.” Als een kerkdienst daarvoor bedoeld is, en dat lijkt me niet onaannemelijk, vervult de preek daarin een functie. In een preek gaat het in dat geval om veel meer dan informeren en overtuigen. Een preek wil vervoeren, oproepen, uitdagen, troosten, ontroeren, de toehoorder op een ander en desnoods het verkeerde been zetten. Een preek toont deze wereld omgekeerd.

Om die andere werkelijkheid op te roepen bedient een preek zich van taal. De scheppende kracht van taal is groot, getuige alleen al de eerste bladzijde van de bijbel: “En God sprak: Er zij licht. En er was licht.” Maar dergelijk bezielend taalgebruik is slechts weinigen aangeboren. De meesten moeten hiervoor veel en lang oefenen. Wie een preek wil schrijven, moet weten hoe hij of zij een verhaal opbouwt, moet leren variëren in woordkeus en zinslengte, beelden en voorbeelden leren gebruiken. De predikant is bovendien, als het goed is, een talenwonder. Niet alleen moet hij of zij thuis zijn in het bijbelse Grieks en Hebreeuws, ook de taal van het hart en van deze tijd moeten meer dan gemiddeld worden beheerst. In het andere geval ontaardt een preek al gauw in geesteloos houtjeshakken.

Hoge kansels

Eeuwenlang is de autoriteit van de predikant vrijwel onaangetast gebleven, en was zijn woord vooral eenrichtingsverkeer. Tot in de jaren vijftig van deze eeuw was de preek een verhaal dat nabesproken kon worden, maar dat nauwelijks werd tegengesproken. Dit betekent niet dat er geen tegenstemmen waren. Zo werd er gesputterd tegen de toon. “Verlos ons van de preektoon Heer, geef ons natuur en waarheid weer”, dichtte De Genestet. Ook was er kritiek op de afstandelijkheid van veel predikanten. Vanaf hun hoge kansels hielden zij “kunstig saamgezette preken”, zonder acht te slaan op de reactie – of het uitblijven daarvan – bij de hoorders. Predikanten moesten uit hun 'houten broek' stappen en in het leven treden, vond een schrijfster in de vorige eeuw. Maar er waren twee wereldoorlogen voor nodig eer het zover was.

Een belangrijk deel van zijn gezag ontleende de predikant aan de breed gedragen overtuiging dat er zoiets als eeuwige waarheid bestond en dat de christelijke traditie die in pacht had. Dat besef is voorgoed en onherstelbaar geschokt. God is misschien niet dood, maar wie de gebeurtenissen van deze eeuw serieus neemt, weet dat wij hem ook niet meer in onze zak hebben. Voeg daarbij de resultaten van modern bijbelonderzoek en de mondig geworden gemeenteleden, en het zal duidelijk zijn dat het predikantschap in een ernstige identiteitscrisis is geraakt.

Die herbezinning op wie of wat een predikant eigenlijk is en vermag, komt onder andere tot uiting in de stijl van preken. Vanuit een behoefte aan meer authenticiteit verruilden velen het pathos – de stemverheffing en de brede gebaren – voor een rustiger preektoon. In de plaats van de massieve verkondiging kwam het zoekende 'gesprek', de met veel vragen doorspekte hervertelling van het bijbelverhaal. Ik moet opnieuw denken aan dominee Gremdaat. Hij begint zijn praatjes ook steevast met een vraag, waarbij het hoogtepunt wat mij betreft nog altijd is: “Neelie Smit-Kroes, kent u die uitdrukking?”

Natuurlijk overdrijft Haenen, maar wie een willekeurige verzameling preken van de afgelopen vijftien jaar doorneemt, wordt daar niet alleen maar vrolijk van. Voor wie zich waagt aan een andere manier van preken dreigen twee valkuilen. Ofwel de vragen zijn geen echte vragen, maar gewoon een andere verpakking van dezelfde dogmatische inhoud – een kunstje dat niet overtuigt – ofwel de spreker blijft in de greep van de vragen en slaagt er helemaal niet meer in iets te zeggen, laat staan op te roepen. De bezieling is ver te zoeken. 'Kunt u hier iets mee? Nee? Jammer, pech gehad.'

Levende verkondiging

Het kan gelukkig ook anders. Ook in deze tijd zijn er predikanten – mannen en vrouwen, protestanten en katholieken – die hun duizenden verslaan. Voorbeelden zijn de van huis uit katholieke Huub Oosterhuis, de hervormde Nico ter Linden en de remonstrantse Lenie van Reijendam-Beek. Het kan je smaak niet zijn, maar hun preken zijn levende verkondiging.

Ik gaf dit verhaal de titel mee 'Van houten broek tot Rachels rokje'. De houten broek kwam al aan de orde. Het is een oude aanduiding voor kansel of preekstoel en dient in dit verhaal bovendien als beeld voor de afstand en ongenaakbaarheid die de predikant, en daarmee in zekere zin de preek, eeuwenlang omgaven. Die houten broek, daar zijn de meesten inmiddels wel uit gestapt, al was het maar omdat sinds ongeveer 25 jaar ook vrouwen het Woord voeren.

Maar waarom Rachels rokje? Omdat een preek in het beste geval kenmerken vertoont van het plooirokje waar Charlotte Mutsaers zo virtuoos over schrijft in haar gelijknamige roman. Dat rokje “cirkelt, zwiert, golft, laait, wappert, kruipt op, straalt, rimpelt, ruist, danst, krult, ademt, ritselt, stroomt, scharniert, siddert, zwaait, knipoogt, steigert of valt. (De plooien) vertakken zich voortdurend, verspringen of gaan in elkaar op en af en toe vang je een glimp op van wat zich eenzaam en verstolen afspeelt daartussen of zelfs daaronder. Dat is het enige wat telt.”

De preek als opwaaiende zomerjurk, waaronder en waardoorheen iets van die andere werkelijkheid zichtbaar wordt. Dat vraagt meer dan het eindeloos oefenen van wat voor het spreken als communiceren nodig is. Deze oefening baart nog niet als vanzelf de kunst van de overtuigende godsdienstige rede. Nodig zijn evenzeer oprechte nieuwsgierigheid naar alle lagen van bijbeltekst en traditie, moed om iets anders te zeggen dan wat altijd gezegd is, en vrijmoedigheid om de Geest ook te herkennen in andere taal dan de bijbelse. De stof van de preek lijkt nu vaak versleten; er zal dus opnieuw geweven moeten worden. Het lijkt me de inspanning waard. Niet alleen vanwege de preek als retorisch genre, maar ook vanwege de herscheppende kracht die ervan kan uitgaan. Wat mij betreft, om met Mutsaers te besluiten, “ik zal zoeken, letter voor letter, woord voor woord, zin voor zin, net zolang totdat je opruist uit het alfabet”. Het had het einde van een preek kunnen zijn. Overtuigd?