Van welsprekendheidsleer tot communicatiekunde

Ellen Sjoer (Onderzoeksinstituut OTB, Delft) en Antoine Braet (hoofddocent Taalbeheersing, Rijksuniversiteit Leiden)

“Welsprekendheid bloeit het weligst onder de invloed van een vrijen regeringsvorm.” Deze woorden sprak de eerste hoogleraar in de vaderlandse welsprekendheid Matthijs Siegenbeek (1774-1854) tijdens zijn intreerede. Voor de instelling van zijn eigen leerstoel waren die woorden zeker op hun plaats. Aanleiding was namelijk de 'fluweelen revolutie' die in 1795 tot de Bataafsche Republiek leidde. De democratisch gezinde patriotten zagen hun kans schoon om hun aan de Franse Revolutie ontleende idee‘n van vrijheid, gelijkheid en broederschap te verwezenlijken. In Leiden bemachtigde de radicale patriot Laurens van Santen een zetel in het universiteitsbestuur. Op 10 oktober 1795 bepleitte hij bij zijn medebestuurders een professoraat in de Hollandse welsprekendheid “om aan de studeerende jeugd geleegenheid te geeven zig op de Universiteit in de voor eene vrije natie zoo noodzaaklyke konst van wel te spreeken te oeffenen''. Dat was een bijzonder voorstel, want aan de universiteit werden officieel alleen de klassieke en Oosterse talen gedoceerd, en ook alle andere colleges zoals theologie, recht, filosofie en logica waren in het Latijn. Een hoogleraar die een officiële aanstelling kreeg om in het Nederlands college te geven over de vaderlandse welsprekendheid was ongekend. Sommigen vonden dat dan ook een bedenkelijke nieuwigheid en het voorstel werd niet direct gehonoreerd.

Kansel en balie

In 1797, nu tweehonderd jaar geleden, was het wel zover. Matthijs Siegenbeek, slechts 23 jaar oud en net afgestudeerd als predikant, begon met zijn colleges aan de universiteit van Leiden. De studenten die hij onder zijn gehoor kreeg, waren geen studenten Nederlands. Zij studeerden theologie of rechten en waren verplicht een getuigschrift in de Hollandse stijl en welsprekendheid te behalen, zodat ze op de kansel en voor de balie goed voor de dag zouden komen. Het onderwijs van Siegenbeek en de collega's die hij na 1815 elders kreeg, had dus aanvankelijk een dienende functie voor de overige faculteiten.

Een van Siegenbeeks bekendste studenten was Nicolaas Beets (1814-1903), schrijver van de Camera Obscura. Hij studeerde theologie in Leiden. Hij moest dus een testimonium in de Hollandse stijl en welsprekendheid bij Siegenbeek halen. Na afloop van de collegereeks meldde Beets zich, volgens zijn eigen dagboek, met drie tientjes bij Siegenbeek (men betaalde toen collegegelden direct aan de docent) en Siegenbeek schreef vervolgens een getuigschrift uit, waarin hij niet moeilijk geweest schijnt te zijn:

- “Uw naam, als ik u verzoeken mag.''
- “Beets, Professor!''
   (Siegenbeek, rood wordend:)
- “Ik heb u niet veel gezien, mijnheer!''
- “Van tijd tot tijd nog al eens professor!''
   (Siegenbeek, verongelijkt:)
- “Maar, mijnheer heeft reeds verscheiden malen getoond dat hij al zóoveel wist, dat hij mijne lessen niet van noode had!''

Kracht van stijl

Siegenbeek doceerde vooral stijlleer. Als een 'dicteermachine' hield hij zijn studenten jaar in jaar uit voor dat ze correct, duidelijk, bekoorlijk en gepast Nederlands moesten spreken en schrijven. De eis van grammaticale correctheid spreekt voor zichzelf. Bij duidelijkheid noemde hij nauwkeurigheid in de rangschikking van woorden de 'moeder der duidelijkheid'. “Men lette vooral op de bijwoorden althans, alleen, voornamelijk, geheel, als welke, daar zij tot meer woorden kunnen betrokken worden, onmiddellijk hunne plaats moeten vinden, waar hunne werking vereischt wordt.''

Taalgebruik moest niet alleen correct en duidelijk zijn, maar afhankelijk van het publiek en het onderwerp soms ook sierlijk en krachtig. Sierlijkheid van stijl ontstaat voornamelijk door welluidendheid, vond Siegenbeek. Korte woorden zijn meestal minder welluidend dan langere woorden en een ongelijke lengte van de leden van een zin is onaangenaam voor het gehoor. Vooral sommige stijlfiguren strekken tot versiering van een tekst, maar ze mogen niet opvallen. Siegenbeek streefde naar “de hoogste maat van kunst onder de gedaante van eene volstrekte kunsteloosheid verborgen''. Met kracht en nadruk van stijl bedoelde Siegenbeek dat een tekst indruk moet maken, het “hart moet treffen'', en wel met expressieve woorden of woorden die de inhoud door de bijkomende gedachte versterken, zoals ontrukken voor ontnemen. Behalve uit de klassieken haalde Siegenbeek zijn voorbeelden uit literaire teksten van vaderlandse coryfeeën, zoals Hooft en Vondel. Ze werden als voorbeeld gebruikt van goed taalgebruik, maar ze waren ook bedoeld om krachtdadig op de goede smaak en de beschaving van de natie te werken.

“Niet wanken of waggelen''

Behalve over stijl gaven de eerste hoogleraren ook onderwijs in presentatietechnieken. Het voordragen van veelal literaire teksten was een ware rage in de negentiende eeuw. De kunst van de declamatie werd ook buiten de universiteit, in genootschappen, beoefend. Matthias Schrant, de opvolger van Siegenbeek in Leiden, stelde een bloemlezing samen met 150 adviezen voor een goede voordracht. Een kleine bloemlezing uit deze bloemlezing voor toekomstige predikanten.

Over de uitspraak:

  • Men geve aan zijne stem hare volle kracht en uitgebreidheid, en trachte daarmede de geheele ruimte, welke de hoorders beslaan, te vervullen, zonder echter in den hoogsten toon te vallen, of te schreeuwen.
  • Men moet zijne stem over de geheele redevoering, huishoudelijk verdeelen, zoodat geen woord, geene lettergreep onhoorbaar worde.
  • Somtijds is het nuttig, op geschikte plaatsen langer te poozen, hetzij om de verflaauwde aandacht weder op te wekken, hetzij om voor hetgene volgen zal, de opmerkzaamheid te lokken.
  • De stem mag in den loop der rede niet wanken of waggelen, noch op het einde der volzinnen wegzinken of vallen; maar moet ten einde toe zich gelijk blijven.

Over de houding en het gebaar:

  • In het spreekgestoelte te zitten, wordt slechts aan bejaarden, zwakken of gebrekkelijken vergund.
  • Met den buik op het spreekgestoelte te liggen, is ongevallig voor het oog, hinderlijk voor de longen, en belemmerend bij het spreken.
  • Men late de oogen ongedwongen de vergadering rondgaan, zonder echter de zedigheid te kwetsen, of iemand strak aan te zien.
  • Men wachte zich, de schouders telkens op- en neer te trekken, wat zeer misstaat.
  • Regtlijnige, hoekige en stootende bewegingen met de armen zijn af te keuren. Men houde zich binnen de grenzen der golvende lijn.
  • Heeft men eene diepe smart uit te drukken, zoo legt men beide handen op de borst.

De meeste regels zijn overgenomen van de beroemde, zeventiende-eeuwse hoogleraar in de retorica Petrus Francius, maar Schrant – die voor hij hoogleraar werd tot priester gewijd was– kon uit eigen ervaring een woordje meespreken. Zijn laatste regel luidt overigens: “Onder het redevoeren denke men noch aan de uitspraak, noch aan het gebaar. Alles moet vooraf bereid, en in de natuur overgegaan zijn, eer men het spreekgestoelte beklimt.''

Aan het onderwijs in argumentatieleer, toch een essentieel onderdeel van de klassieke retorica, deden de eerste hoogleraren Nederlands bijzonder weinig. Alleen de Groningse hoogleraar Barthold Henrik Lulofs vond dat er aandacht moest zijn voor het vinden van goede argumenten. Daarin was hij uitzonderlijk. De meeste hoogleraren beperkten zich tot stijlonderwijs en gaven les in het voordragen van teksten. Dat kan men beschouwen als een gemiste kans. In het buitenland had men namelijk wel oog voor argumentatie en drogredenen. Richard Whately, aartsbisschop in Dublin en een tijdgenoot van Lulofs, bracht een persuasieleer op de markt die nog steeds doorwerkt in de moderne argumentatieleer.

Stuiveling

Tegen 1850 gingen de opvolgers van Siegenbeek en zijn collega's in de welsprekendheid zich steeds meer op de Nederlandse taal- en letterkunde concentreren, zodat de retorica aan de universiteit wegkwijnde. In de studie Nederlands, die men pas vanaf 1876 kon volgen, werd er nauwelijks een woord aan vuil gemaakt. In 1950 werd aan de toenmalige Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam de negentiende-eeuwse situatie nog even hersteld met de benoeming van Garmt Stuiveling. Van hem, bekend radiospreker en letterkundige, werd verwacht dat hij zich als een moderne Siegenbeek zou inspannen om de taalvaardigheid van de gehele universitaire bevolking te verbeteren. Hij deed dat onder meer door hoorcolleges over spreken in het openbaar te geven. “Beschrijf de blaadjes van een lezing slechts aan één zijde, zodat je ze zonder ze om te keren onopgemerkt ter zijde kunt leggen'', was één van de hem typerende nuchtere adviezen.

Het soort leerstoel van Stuiveling vond geen navolging, maar Stuiveling was nog niet vertrokken of het vak waaraan hij de naam taalbeheersing had gegeven, dook elders op ... in de studie Nederlands. De aanleiding was dat de docenten Nederlandse taal- en letterkunde in de jaren zestig ontevreden waren over de taalvaardigheid van hun studenten – een gevolg van de externe democratisering in het onderwijs (d.w.z. de grotere deelname van studenten uit `taalarme' milieus)? Ze verzochten de minister `taalbeheersing' op te nemen in het toenmalige kandidaatsexamen Nederlands. Dat gebeurde in het Academisch Statuut van 1969. Wat als gevolg daarvan is gebeurd, hebben die docenten echter nooit bedoeld en waarschijnlijk niet gewild: binnen een kwarteeuw groeide taalbeheersing – met een nog lelijker woord ook wel `communicatiekunde' genoemd – uit tot de derde hoofdrichting binnen de studie Nederlands naast letterkunde en taalkunde.

Maatschappelijke relevantie

Probeert men deze ontwikkeling te verklaren, dan komt men uit bij de roep om maatschappelijk relevante studies die in de jaren zestig aan de universiteiten begon te klinken. Bij de studie Nederlands, waar de studenten zich zeker even heftig roerden als bij sociologie, kwam dat in die jaren vooral tot uiting in de eis dat de studie meer afgestemd moest worden op de latere beroepsuitoefening, het leraarschap of, nauwkeuriger, het docentschap taalvaardigheid.

Vandaar dat de eerste lichting taalbeheersers, onder wie de illustere Utrechtse tandem Drop en De Vries, zich richtte op het moedertaalonderwijs. Daardoor maakte men zich niet alleen bij de studenten populair. Doordat de opkomst van de moderne taalbeheersing samenviel met de zogenoemde 'communicatieve wending' in het modernetalenonderwijs op de middelbare school, werd taalbeheersing ook de belangrijkste leverancier van de nieuwe inhouden van dit onderwijs. Men kan dat heel goed aflezen aan de nieuwe examenprogramma's die vanaf 1998 gaan gelden. Alleen al de merkwaardig grote plaats van argumentatieleer daarin is ondenkbaar zonder het vak taalbeheersing. Waarmee, tussen haakjes, de cirkel rond is: reeds in de Oudheid werd het moedertaalonderwijs besloten met een cursus argumentatieleer voor leerlingen van de 'tweede fase'.

De markt

In het midden van de jaren tachtig kreeg het begrip maatschappelijke relevantie bij taalbeheersers plotseling een heel andere betekenis. Met een omkering van alle waarden uit de jaren zestig richtte men zich op `de markt', te weten de wereld van de professionele communicatie. Ook al omdat hun studenten geen leraar meer konden en/of wilden worden, maar eerder dachten aan voorlichter, redacteur of beleidsmedewerker, keerden vele taalbeheersers zich van het moedertaalonderwijs af. Men ging onderzoek doen naar de in- en externe communicatie van bedrijven en instellingen en hervormde het onderwijsaanbod in deze richting. Nog in veel grotere massa's dan in de jaren zeventig stroomden de studenten toe. Taalbeheersing werd op veel plaatsen de grootste afstudeerrichting binnen de neerlandistiek, ja van heel de letterenfaculteit. Dit tot begrijpelijke ontzetting van taal- en letterkundigen, van wie sommigen de taalbeheersers verweten de universiteit tot een hbo-instelling te degraderen.

Inmiddels is de populariteit van taalbeheersing weer wat afgenomen. En ook omdat de verwetenschappelijking van het vak duidelijk doorzet, hebben taal- en letterkundigen weinig meer te mopperen.