Alle moderne woordenboeken geven bij elk de betekenis ‘ieder’ en bij ieder de betekenis ‘elk’. De keuze tussen elk en ieder is vrij. Enkele voorbeelden:

  • Is het gezond om elke dag een ei te eten?
  • Is het gezond om iedere dag een ei te eten?
  • Op elk potje past een dekseltje.
  • Op ieder potje past een dekseltje.
  • Elke week kans op 1 miljoen!
  • Iedere week kans op 1 miljoen!
  • Elke vent heeft een mankement.
  • Iedere vent heeft een mankement.
  • Elke meid heeft een eigenaardigheid.
  • Iedere meid heeft een eigenaardigheid.

Vaste combinaties

In sommige uitdrukkingen ligt het gebruik van elk of ieder min of meer vast: voor elk wat wils, ieder op zijn beurt, ieder voor zich. Aan elk kan geen -s worden vastgeplakt, en aan ieder wel; daarom is het bijvoorbeeld in ieders hart, in ieders gedachten en met ieders goedkeuring.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail

Dat elk en ieder door elkaar gebruikt worden, is niet iets van de laatste tijd: ook het historische Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt het al. Ook de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) vermeldt expliciet dat elk en ieder door elkaar kunnen worden gebruikt.

Sommige taalgebruikers hebben een voorkeur voor het gebruik van ieder(e) voor personen en elk(e) voor niet-personen. Elk(e) wordt bovendien vaak gebruikt als er in de zin sprake is van een kleine groep, zoals in ‘Elk van de drie teamleden heeft een eigen specialisme.’ Toch kan hier ook prima ieder worden gebruikt.

Ook bij de volgende zinnen zijn beide woorden bruikbaar. De meeste mensen zullen iets eerder voor elk kiezen, maar dat is zeker niet verplicht:

  • Ieder/elk kind kreeg een ijsje. (personen)
  • Ieder/elk van de twee bruidsmeisjes droeg een roos. (kleine groep)
  • Aan ieder/elk oor had ze een oorring. (kleine groep: één paar oren)