Een collega komt drijfnat binnen. Iemand roept: 'Zo, het regent schijnbaar!' Moet schijnbaar hier niet blijkbaar zijn?

 

Ja, blijkbaar heeft hier inderdaad de voorkeur. Blijkbaar gebruiken we als we 'klaarblijkelijk, naar het blijkt' bedoelen. Uit de drijfnatte kleding blijkt dat het regent. Schijnbaar betekent 'naar de schijn, niet in werkelijkheid'. Welbeschouwd betekent 'Het regent schijnbaar' dus: 'Het is net of het regent (maar dat doet het niet echt)'.

Maar dit onderscheid tussen blijkbaar en schijnbaar wordt niet door alle woordenboeken gemaakt. Van Dale (2005) geeft bij het bijwoord schijnbaar de betekenis 'klaarblijkelijk', oftewel 'ontegenzeggelijk, zonder twijfel'. Het bijvoeglijk naamwoord schijnbaar betekent volgens Van Dale 'niet echt of wezenlijk, niet werkelijk'. Ook het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) vermeldt de betekenis 'klaarblijkelijk' bij schijnbaar, maar wel met de opmerking dat dit gebruik “door het tegenwoordig taalgevoel (...) als onjuist [wordt] beschouwd”. Blijkbaar (of schijnbaar) loopt Van Dale nog een beetje achter.

De meest taaladviesboeken raden aan schijnbaar alleen te gebruiken in de betekenis 'naar de schijn, niet in werkelijkheid' en blijkbaar in de betekenis 'kennelijk, klaarblijkelijk'.