Waar komt het werkwoord genieten vandaan? 

In genieten (‘ergens plezier van ondervinden’) zit het verouderde werkwoord nieten. Dat werkwoord betekende ‘bezitten, gebruiken’. Nieten is in deze betekenis al vele eeuwen niet meer in gebruik in het Nederlands. De wortels van dit werkwoord nieten zijn oeroud. In het Protogermaans (dat is de taal die rond het jaar 0 gesproken werd in Noordwest- en Midden-Europa, en die door taalwetenschappers is gereconstrueerd), bestond al een werkwoord neutan, dat ‘in gebruik hebben, bezitten’ betekende. Ook nut, nuttig en benutten zijn hierop terug te voeren.

Het voorvoegsel ge- in genieten werd vroeger aan veel werkwoorden vastgeplakt. Het kon verschillende betekenisaspecten toevoegen aan een grondwoord. Bij genieten was dat waarschijnlijk oorspronkelijk iets als ‘volledigheid’. Genieten betekende oorspronkelijk iets als ‘helemaal kunnen gebruiken, volledig bezitten’. Die betekenis verschoof later naar ‘intensiteit’: ‘met plezier gebruiken’. Van daaruit ontstond de betekenis ‘je verheugen in iets, een fijn gevoel van iets krijgen’.

Genieten wordt vaak met van gecombineerd. Genieten van betekent ‘plezier beleven aan’, zoals in ‘We genieten van het mooie weer.’ Maar het kan ook zonder van worden gebruikt: je kunt bijvoorbeeld ‘een hoog inkomen genieten’ of ‘een goede opleiding genoten hebben’. Genieten is hier een enigszins ambtelijk woord voor ‘hebben’ of ‘krijgen‘ (met de bijgedachte dat het in je voordeel is). Een vaste combinatie is de voorkeur genieten, dat hetzelfde betekent als de voorkeur hebben: ‘Deze variant geniet de voorkeur.’

Geen verband met (vast)nieten en ontkenning niet

Genieten is niet verwant met nieten in de betekenis ‘vastnagelen, er een nietje doorheen slaan’. Dit nieten gaat terug op een ander oeroud woord, dat ‘vastslaan’ betekende.

Het ontkennende niet heeft ook niets te maken met genieten. Niet is ontstaan uit het ontkennende voorvoegsel ne (waaruit ook nee is ontstaan) en iet (dat iets als ‘ding’ betekende en later iets werd).

Wel een verband met echtgenoot

Het grapje ‘Echtgenoot/echtgenote is de verleden tijd van echt genieten’ (of ‘Als twee echtparen echt paren, hebben vier echtgenoten echt genoten’) heeft wél een etymologische basis. Het woorddeel genoot in echtgenoot en het werkwoord genieten (in de oorspronkelijke betekenis ‘gebruiken’) zijn zelfs nauw verwant. Een genoot was oorspronkelijk iemand met wie je samen gebruikmaakte van iets, bijvoorbeeld van gemeenschappelijke gronden, aldus het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. Dat was dus iemand met wie je vaak nauw samenwerkte. Van daaruit ontstonden de betekenissen ‘metgezel’ en ‘makker’. Genoot komt nu nog voor in combinaties als echtgenoot (‘huwelijksmakker’), reisgenoot, bondgenoot en genootschap.