Hoe komt het dat sommige woorden in het enkelvoud een korte klinker hebben (dag, dak, lot, schip) en in het meervoud een lange klinker (dagen, daken, loten, schepen)?

Dat is zo in het Oudnederlands ontstaan, in de vroege Middeleeuwen.

In die tijd werden korte klinkers waar de klemtoon op viel, in het meervoud lang. Zo zijn onder andere spel - spelen, lot - loten, vat - vaten en smid - smeden ontstaan. Maar bij woorden die in het enkelvoud al een lettergreep achter de beklemtoonde klank hadden, gebeurde dat niet. Het was bijvoorbeeld bedde, koppe en vlagge; in het meervoud bleef de klinker kort: bedden, koppen, vlaggen.

In het huidige Nederlands is de algemene regel dat de eindmedeklinker in het meervoud verdubbeld wordt na een korte klinker: bol - bollen, kruk - krukken, zot - zotten. Maar daarop bestaan nog steeds tientallen van zulke oude uitzonderingen. Een (niet volledig) overzicht:

  • woorden met een a die in het meervoud een aa-klank wordt: bad - baden, bedrag - bedragen, blad - blad(er)en/blaren, dag - dagen, dak - daken, dal - dalen, gat - gaten, gelag - gelagen, glas - glazen, graf - graven, pad - paden (in de betekenis 'weg'), slag - slagen, staf - staven, vat - vaten, verdrag - verdragen
  • woorden met een e die in het meervoud een ee-klank wordt: bevel - bevelen, gebed - gebeden, gebrek - gebreken, spel - spelen, weg - wegen
  • woorden met een o die in het meervoud een oo-klank wordt: gebod - geboden, god - goden, hertog - hertogen, hof - hoven, hol - holen, kot - kotten/koten, lot - loten, oorlog - oorlogen, slot - sloten, verbod - verboden, verlof - verloven
  • enkele bijzondere gevallen: stad - steden, smid - smeden, schip - schepen, lid - leden

In andere Germaanse talen is de lange klinker vaak wel in het enkelvoud te vinden: Tag en Tal in het Duits, dag en dal in het Zweeds en Noors. Dit komt ook voor in enkele oudere Nederlandse afleidingen en plaatsnamen, zoals vandaag en daags, buitengaats, midscheepsBloemendaal en Roosendaal.

Soms doet zich bij de verkleinvorm dezelfde klinkerverandering voor die we in het meervoud zien, maar soms ook niet: paadje, lootje, maar dakje, slotje.