Politici en ambtenaren praten vaak om de dingen heen. Kunnen ze niet anders of passen ze welbewust een retorisch middel toe? De lenigheid van de taal biedt hun de noodzakelijke speelruimte voor onderhandeling en compromis. 

Dr. Jan Terlouw

Hoe leg je het best iets uit, hoe breng je het meest effectief iets over? Drie uitgangspunten vormen daarvoor het fundament: je moet je aanpassen aan het niveau van je toehoorders; je moet zelf begrijpen wat je wilt uitleggen; je moet durven uitleggen wat je wilt uitleggen. Deze uitgangspunten lijken vanzelfsprekend, maar toch wordt er dikwijls tegen gezondigd. Ik wil hier wat dieper ingaan op de derde voorwaarde, speciaal toegepast op politiek en ambtelijk taalgebruik.

Ontsnappingsroutes

Vooral politici wordt dikwijls verweten dat ze om de dingen heen praten. Dat doen ze ook vaak. Ik ga hen verdedigen. Stel, een journalist vraagt aan een fractievoorzitter in de Tweede Kamer: 'Vindt u dat het kabinet volgende week een loonmaatregel moet nemen?' (Op grond van een wet van 12 februari 1970 is ministerieel ingrijpen in de loonvorming toegestaan als een algemeen belang dat vereist.) Kan de fractievoorzitter met een eenvoudig 'ja' of 'nee' antwoorden? Zijn spraakvermogen laat dat toe, maar zijn politieke oordeel niet. Want een deel van zijn fractieleden en een deel van zijn kiezers is het met het 'ja' oneens, en het andere deel met het 'nee'. Zijn antwoord moet dus omzichtig zijn en met redenen omkleed. Hij begint uit te leggen dat zijn politieke groepering de vrije loonvorming een groot goed vindt, dat hij er indertijd een voorstander van was dat het College van Rijksbemiddelaars als toetsingsorgaan is vervangen door de Stichting van de Arbeid, dat slechts onder uitzonderlijke omstandigheden….
'Bent u nu voor of tegen?'
'Volgende week komt het Planbureau met een nieuwe prognose van de inflatie op jaarbasis. Vanzelfsprekend is onze…'
'Bent u voor of tegen?'
'U moet goed begrijpen dat onze fractie ...'
Natuurlijk kan de politicus ook meteen antwoorden dat hij de vraag niet zal beantwoorden, bijvoorbeeld omdat die vraag nog in de fractie moet worden besproken. Maar dat valt ook niet mee. Want de journalist houdt aan: de fractievoorzitter kan toch zeggen met welk voorstel hij naar de fractie zal gaan? Het publiek heeft toch recht om te weten wat de door hen gekozen politici denken over zo'n belangrijke aangelegenheid! En dus gebruikt de politicus de taal als verdedigingsmiddel. De taal heeft een lenigheid waarbij vergeleken elastiek een taaie substantie is.

Aan een politicus wordt zelden gevraagd hoeveel twee plus twee is. Hem wordt meestal een oordeel gevraagd. Van een wetenschapspersoon wil men weten of een bepaalde zak appels zwaarder of lichter is dan een bepaalde zak peren. Een goeie wetenschapper zal het juiste antwoord geven of zal zeggen dat hij het niet weet en het zal uitzoeken. Een slechte wetenschapper geeft het onjuiste antwoord of hij houdt als antwoord een onbegrijpelijke verhandeling over de verschillende types balansen.

Aan een politicus wordt gevraagd wat lekkerder is, appels of peren. Het antwoord op die vraag is vaak moeilijk te geven. En omdat een politicus die dikwijls zegt dat hij iets niet weet geen lang politiek leven is beschoren, neemt hij zijn toevlucht tot de taal als verdedigingsmiddel. En dat is lang niet altijd onverstandig.

Herprioriteren

Ambtelijke taal wordt vaak getypeerd als ouderwets, clichématig, saai en ingewikkeld van constructie. Ook wordt tevens, en wordt alsmede, en sturen wordt verzenden. Uitdrukkingen als inkomensplaatje en afconcluderen komen veelvuldig voor. Neologismen worden hartstochtelijk omarmd. Toen ik voor het eerst de uitdrukking kort door de bocht hoorde, enkele jaren geleden, hoorde ik haar diezelfde week minstens nog tien keer. Tegenwoordig wordt alles geprioriteerd en zelfs geherprioriteerd. En hoe vaak moet je je in een ambtelijk stuk niet eerst door voorwaardelijke, oorzakelijke, beperkende en weet ik wat voor bijzinnen worstelen om te ontdekken wat het onderwerp is van de scribent?

Bijna niemand hoort nog iets verkeerds in de zin 'u bent ziek, u heeft griep'. Toch staat in die zin het werkwoord zijn in de tweede persoon en hebben in de derde. In ambtelijke stukken komt dit verschijnsel om de haverklap voor, wat snellezen bemoeilijkt. 'Uw Groningse collega heeft u een brief gestuurd, uw Friese collega niet.' Wie heeft de brief nu verzonden? Je moet meer lezen om daarachter te komen. Mijn protesten tegen deze vorm van taakverzwaring als gevolg van taalverarming worden afgedaan met een meewarig 'hij gaat niet met zijn tijd mee, hij weet niet wat een levende taal is'.

Toch wil ik ambtenaren en hun taalgebruik ook een beetje verdedigen. Ten eerste is het onderwerp waarover moet worden geschreven vaak taai voor ieder die er niet nauw bij betrokken is. Ten tweede moet het vaak snel morgen klaar. Ten derde krijgen de ambtenaren het slechte voorbeeld van politici, waarvan velen redevoeringen houden die verre van briljant zijn. Hoe vaak horen we in radio- en televisie-interviews niet zinnen als: 'Ik eh, heb toch eh, het ver- eh -trouwen dat het over een jaar of eh tien met het Nederlands weer de goede eh kant op zal gaan.' Maar de ambtenaar doet iets heel anders dan modieus hakkelen als hij schrijft: 'Indien de middelen die de overheid daartoe ter beschikking staan adequaat worden ingezet en de medewerking van alle betrokken partijen optimaal wordt gebruikt, kan in de komende decade het Nederlands alsmede het Fries in een opwaartse richting worden omgebogen.' Geen vernieuwend proza, wel duidelijk.

Soepel manoeuvreren

Wat me brengt tot de vierde verontschuldigingsgrond. Ook ambtenaren gebruiken, vooral ten behoeve van hun bestuurders, de taal als verdedigingsmiddel. Korte, concrete zinnen zijn zo absoluut. Het zinnetje 'De provincie geeft 1 miljoen voor de provinciale bibliotheken' laat zo weinig ruimte voor discussie. Of, om maar eens een heel bruikbaar politiek cliché te gebruiken, daar zit zo weinig wisselgeld in. Je bent ervoor of ertegen. Punt. Hoeveel rijker voor het debat tussen ambtenaar en bestuurder, tussen bestuurder en commissie, op de hoorzitting, bij de finale besluitvorming, is een zin als 'Indien de provinciale financiën zich voorspoedig ontwikkelen, zou kunnen worden overwogen de bijdrage aan de bibliotheken aanzienlijk te verhogen.' Met zo'n zin manoeuvreer je soepeler naar de gewenste oplossing dan met een ontijdig helder standpunt.

Ben ik dus voor onhelder taalgebruik in politiek en bestuur? Nee, maar we moeten niet te streng zijn. Of, om het anders te zeggen: we zullen, bij het huidige plaatje, met z'n allen niet te kort door de bocht moeten afconcluderen, anders moeten we straks herprioriteren.

Als ik tot slot een wens mocht doen, dan zou ik wensen dat wij Nederlanders wat meer liefde voor onze taal kregen. Ik heb bij elkaar elf jaar in het buitenland gewerkt en ik meen te moeten vaststellen dat die liefde voor de eigen taal in de ons omringende landen groter is dan bij ons: in Vlaanderen, in Duitsland, in Engeland, in Frankrijk. Natuurlijk, er zijn tal van landgenoten die van onze taal houden; dat zien we onder andere aan de grote belangstelling voor deze congresdag. Maar dikwijls constateer ik dat Nederlanders zich concentreren op de inhoud van besluitvorming, op de betekenis van wat wordt medegedeeld, maar niet op het gebruik van het instrument waarmee de boodschap wordt overgebracht: de taal. Dat instrument kan niet straffeloos worden verwaarloosd. Want de mens en zijn taal zijn één, naar mijn mening. Dus moet een volk de kwaliteit van zijn taal zorgvuldig bewaken.