Door Marc van Oostendorp*

De laatste jaren storten beoefenaren van de economische wetenschap zich met verve op de taal. Kwade tongen beweren dat het komt door de crisis, die sommige economen definitief heeft doen inzien dat wat zij beweren eigenlijk óók allemaal onzin is. Maar een redelijker verklaring is dat de taalwetenschap de laatste jaren steeds meer met grote databases (zoals de World Atlas of Linguistic Structures) is gaan werken – en economen zijn dol op zulke gegevensverzamelingen.

Het begon enkele jaren geleden met een artikel van de Amerikaan Keith Chen, die probeerde te laten zien dat mensen die een taal spreken waarin de toekomende tijd verplicht in de werkwoordsvorm wordt uitgedrukt, minder geld sparen en minder goed op hun gezondheid letten dan sprekers van bijvoorbeeld het Nederlands waarin je 'ik kom morgen'  kunt zeggen in plaats van 'ik zal morgen komen'. (Lees hier meer over dat onderzoek. Chens conclusies zijn later overigens weerlegd in een onderzoek waar hij zelf ook aan meewerkte.) Sindsdien komt er regelmatig van dit soort onderzoek naar boven, en je vraagt je als taalkundige af wat je ermee aanmoet.

In de war

Een paar weken geleden werd de wereld bijvoorbeeld opgeschrikt door het bericht dat sprekers van talen die verschil maken in woordgeslacht (le soleil - la lune) meer geneigd zijn tot seksediscriminatie dan sprekers van talen zoals het Chinees, waarin dat hele verschil er nauwelijks toe doet.

Als eenvoudige taalkundige denk je dan: maar is de Chinese maatschappij inderdaad zoveel feministischer dan de Franse? Nee, maar je moet dat statistisch zien, zegt de econoom dan: dat Chinees is dan misschien een outlier (statistiekterm voor “een waarneming die niet bij de overige lijkt te passen”). Maar, zeg ik dan, in welk opzicht kun je het Chinees als één ding rekenen? Moet je niet eigenlijk ook de sprekers tellen van zo’n taal en gooit dat dan de hele statistiek niet in de war?

Spelling

Bovendien klinkt zo’n correlatie misschien intuïtief wel aannemelijk, maar de onderzoekers blijken allerlei vormen van ‘grammatical gender’ te hebben meegeteld. Het Nederlands krijgt bijvoorbeeld een feministisch strafpunt omdat het verschil maakt tussen de- en het-woorden, terwijl je je toch nauwelijks kunt voorstellen hoe het sociaalpsychologische mechanisme dat dat verband legt, eruit zou moeten zien. Maar aan dat soort subtiel geredeneer doen economen met hun liefde voor big data niet.

Beroep

In Nederland is vooral Tilburg University heel actief op dit gebied. Daar werken een paar uitstekende taalkundigen, maar die worden kennelijk nooit geconsulteerd, of in ieder geval niet genoemd in de economenpapers. Vorig jaar verblijdde men ons vanuit Tilburg bijvoorbeeld met een in het Engels geschreven artikel waaruit bleek dat men in Nederlandse organisaties beter Nederlands kan spreken.

En nu was er vorige week dan weer sprake van dat mensen die dialect spreken een lager inkomen zouden hebben. Verschillende media besteedden er aandacht aan, en sommige mensen gaven zelfs commentaar op het ‘onderzoek’, maar het bijzondere van dit onderzoek was vooral dat het onvindbaar bleek, al dook uiteindelijk wel een manuscript uit januari op dat waarschijnlijk de basis vormt van het bericht.

Nu is dit zo’n vreemd artikel dat ik me afvraag of zelfs een economisch tijdschrift het zal willen publiceren. De auteurs tonen aan dat er in een redelijk grootschalig onderzoek op internet een correlatie gevonden kan worden tussen twee factoren: hoe vaak mensen zelf zeggen dat ze dialect spreken en wat voor soort beroep ze uitoefenen.

Wage-penalty

Nu is dat mogelijk tot op zekere hoogte interessant, maar feitelijk is het heel moeilijk te interpreteren. Waar ligt dat verband aan? Worden dialectsprekers gediscrimineerd? Zijn ze dommer of onbruikbaar voor de arbeidsmarkt? Of zijn mensen in hogere beroepen minder snel geneigd toe te geven dat ze dialect spreken (terwijl ze dat stiekem wel doen)? Of is er een heel andere, derde, factor die met allebei deze zaken correleert en de feitelijke verklaring biedt (bijvoorbeeld een neiging tot het geven van sociaal wenselijke antwoorden in enquêtes, of het inzicht dat dialect spreken en niet meedoen aan de 'ratrace' je veel gelukkiger maakt).

De auteurs noemen dat probleem – correlatie is geen causatie – wel een paar keer, maar vervolgens gooien ze er een paar loze semi-wiskundige formules tegenaan alsof die een oplossing bieden. Bovendien geven ze in ieder geval de manuscriptversie van het artikel een behoorlijk suggestieve titel: The Wage-Penalty of Dialect Speaking.

Onzin

Dat lijkt me het probleem van eigenlijk al dat economisch onderzoek: men is enorm goed in big data en in het toepassen van geavanceerde statistische technieken. Maar de bevindingen zijn verder niet ingebed in een beter begrip van wat taal is of hoe taal werkt, en daarom springt men na al dat zorgvuldige getel ineens naar een conclusie die door de bestudeerde feiten helemaal niet gerechtvaardigd wordt.

Dat biedt op zichzelf misschien aanknopingspunten voor samenwerking: de economen leren de taalkundigen om te gaan met zulke gigantische databases, de taalkundigen voorzien een en ander van wat meer context. Maar dan moeten economen die zulk onderzoek beginnen natuurlijk wel de weg weten naar de deur van hun taalkundige collega’s verderop op de gang. En niet denken dat wat die taalkundigen zeggen eigenlijk allemaal óók onzin is.

 

* Dit blog verscheen eerder in een iets andere versie op Neerlandistiek.nl