Voetbaltaal (René Appel, 1990)

Een belangrijk kenmerk van talen is dat ze voortdurend veranderen. Niet veel mensen zeggen nog 'Roda JC was beter dan MVV'; 'Roda JC was beter als MVV' is gewoon geworden. 'Het elftal wat daar speelt,' verdringt 'het elftal dat daar speelt'. Sommigen willen zich daartegen verzetten; 'als' en 'wat' zijn op die plaatsen niet correct, het is geen goed Nederlands. Zij zijn de Don Quichotes (niet de nieuwe trainer van Real Madrid) van de taal. De taalgebruiker zal zelf uiteindelijk wel bepalen hoe de taal eruit zal zien, dat is onvermijdelijk. Mensen maken de taal.

Als het om nieuwe woorden gaat, is het nog duidelijker dat de taal voortdurend in beweging is: nieuwe woorden komen op, oude woorden krijgen nieuwe betekenissen, en sommige woorden verdwijnen na een tijdje populair te zijn geweest. Hier komen weer de twee functies om de hoek kijken die jargon ook heeft: in de eerste plaats nieuwe woorden voor nieuwe begrippen, en in de tweede plaats nieuwe woorden die voortkomen uit een behoefte om anders te zijn, om onderscheid aan te brengen met andere mensen.

Natuurlijk was er niet zomaar een voetbaltaal. Die moest nog gevormd worden. Toen Pim Mulier in 1879 in Nederland het voetbal introduceerde, kon het spel dus wé worden gespeeld, maar men kon er nog nauwelijks over praten. Dat er slechts langzaam een voetbaltaal ontstaan is, blijkt bijvoorbeeld uit het eerste krantenverslag van een voetbalwedstrijd, opgenomen in 'Het Krankzinnige Kwartiertje' van Nico Scheepmaker. Het ging om de wedstrijd 'tusschen Voetbal-Vereniging Amsterdam en de Enschedesche Football-Club op de terreinen achter het Rijks-Museum, Zondag 18 maart 1888'. Eigenlijk dus Ajax-FC Twente op het Museumplein. De volgende passage geeft al aan voor welke problemen de verslaggever zich zag geplaatst: 'Spiller speelde weder een uitstekende wedstrijd, zijn "dribbelen" was waarlijk de moeite waard. Geo Rust, Jurjens en H. Rust werkten dan ook uitstekend met hem samen en mocht ook al een enkele maal de bal door een flinken schop van ten Cate of Blijdenstein weder vrij zijn, Hilten en Timperley zorgden steeds het "leder" direct weder naar den vijandelijken "goal" terug te zetten, en was dan ook Amsterdam in de eerste helft van het spel volkomen meester van het veld, daar zij vier "goals" tegen nul van Enschede hadden gewonnen.' Men schreef 'een goal winnen' in plaats van het huidige "een goal maken", "doelpunten", "scoren" of welke alternatieven er verder ook voorradig zijn. De journalist gebruikte in hetzelfde verslag bijvoorbeeld ook 'den bal passeren aan ...' voor '(de bal) passen naar ...' of 'aanspelen'. In verband met de overvloedig gebruikte Engelse termen kom ik in het volgende hoofdstukje nog op dit verslag terug.

In oude jeugdboeken is aardig wat belegen, verjaard jargon terug te vinden. De volgende passages zijn geplukt uit het beroemde 'De A.F.C.-ers' van J.B. Schuil. 'Wat een samenspel! Kijk dat opbrengen van zo'n bal eens door de voorhoede, dat keurige short-passing.' '"De bal vooral niet te lang houden. Geen solo gaan spelen, hoor! Altijd maar goed op het midden spelen!" ried de captain.'

Veel veranderingen in voetbaljargon hebben te maken met de veranderde tactiek of de introductie van nieuwe spelsystemen. In het klassieke systeem werd er gespeeld in een soort pyramidevorm: in de top van de pyramide stond de keeper, dan kwamen de twee backs, respectievelijk de rechtsback en de linksback. Op de volgende rij stonden de drie halves of half-backs, respectievelijk de rechtshalf, de centerhalf, en de linkshalf. De halves of kanthalves (spreek uit op z'n Engels, dus zoiets als 'haafs') werden ook wel halfspelers (Nederlandse uitspraak) genoemd. De basis van de pyramide bestond uit de vijf aanvallers of voorwaartsen: rechtsbuiten, rechtsbinnen, midvoor of middenvoor (ook wel aanvalsleider), linksbinnen en linksbuiten.

Als reactie op deze klassieke opstelling introduceerde Arsenal in de jaren twintig het zogenaamde WM-systeem. De centerhalf werd naar achteren gehaald om spil of stopperspil te spelen, en de twee binnenspelers, die samen met de midvoor het binnentrio vormden, kwamen ook iets achter de andere aanvallers te spelen. Het elftal, minus de keeper, is zo een gestileerde W boven een M: de drie punten van de W zijn de drie aanvallers, in de rug gesteund door de binnenspelers, en in de M zijn de posities van de achterhoede- en halfspelers weer te geven. In een variant op het WM werd nog een halfspeler naar achteren gehaald: de slingerback, een soort Ausputzer avant-la-lettre. In het Zwitserse grendelsysteem, veel minder verbreid dan de koekoeksklok, werd ook met vier verdedigers gespeeld.

De volgende grote verandering was de introductie van het vier-twee-vier-systeem. Daarin speelt de hierboven al genoemde Ausputzer of vrije verdediger een belangrijke rol. Samen met de voorstopper vormt hij het centrale-verdedigingsduo. Vier-twee-vier is later weer opgevolgd door vier-drie-drie of vier-vier-twee. Er zijn zelfs varianten waarin de voorhoede tot één aanvaller is gereduceerd, die dan ook vaak op een eiland staat.

Los van de veranderingen van het spelsysteem zijn ook de namen van de verschillende spelposities veranderd. Het woord backs wordt bijna alleen nog maar gebruikt bij veteranenwedstrijden; een tijdje heetten ze links- en rechtsachter, en nu vleugelverdediger, of ze spelen achter in de zone. Tussen defensie en aanval stonden voorheen dus de halves, die daarna ook wel schakelspelers werden genoemd, maar die nu algemeen met middenvelders worden aangeduid. De aanvallers zijn spitsen geworden: de rechter-, centrum- en linkerspits. Het woord voorhoede krijgt al een beetje zeldzaamheidswaarde, nog geen antiek, maar wel bijna bric-à-brac. Sommige ploegen speelden vroeger met een zwevende rechtsbuiten; dat is nu een hangende rechterspits geworden. Die speelde dus voorheen, toen de tijden nog bladstil waren, aan de rechterflank of de rechterwing, en nu eventueel in de rechterzone.

'Miltenburg dreef de bal in de richting van het vijandelijke doel. Hij centerde precies op tijd naar Boer die met een gerichte schuiver De Bie het nakijken gaf.' Niemand hoeft een seconde te twijfelen. Deze wedstrijdbeschrijving is van voor de Tweede Wereldoorlog. Toen hadden spelers ook nog de gelegenheid om te drijven: opkomen met de bal aan de voet zonder dat er een tegenstander wordt gepasseerd. Er werd niet iemand aangespeeld, maar men centerde of gaf een center. Schuivers lijken nu ook minder voor te komen dan vroeger. Het is een raadsel waarom. Misschien de concurrentie van de strakke bal, hoewel daar vooral een mooi schot mee wordt aangeduid, volgens de moderne betekenis van 'strak'. Een hard schot heette vroeger wel een kei. Spelers kregen soms een dot van een kans, wat dus nu een wereldkans is geworden. En als er een overtreding werd begaan in het strafschopgebied, dan ging de bal op de strafschoppunt.

Een opvallende verandering heeft het woord schoppen ondergaan. In feite is het een wat tuttige variant van trappen of schieten: 'Geef dan een schop,' zegt de moeder tegen haar zoontje. In die betekenis komt het nu alleen nog voor in strafschop, hoekschop en vrije schop. Het losse schoppen is veel meer gaan betekenen: gemeen trappen, ruw voetballen, tegenstanders onderuit halen. 'Ze liepen verschrikkelijk te schoppen, en de scheidsrechter deed er niks aan', 'Die rechtermiddenvelder, dat is een echt schoppertje.' Het is opvallend dat juist de centrale woorden in het voetbaljargon, voetballen, bal en schoppen een betekeniswijziging hebben ondergaan.

In bijna alle volgende hoofdstukken zullen allerlei nieuwe, recente termen worden besproken. Ik noem er nu al vast een paar. Spelers leveren de bal in, altijd bij de tegenstander, nooit bij een medespeler. Ze kunnen de bal naar een teamgenoot prikken of een steekballetje geven. De spits kan ook zelf de zestien in steken, en de bal in het kruis jagen, dat wil dus zeggen: in de kruising (van paal en lat).

Taal verandert, en dat levert verschillen tussen vroeger en nu op. Maar er zijn ook andere verschillen: die tussen 'hier' en 'daar'. We weten dat er niet overal hetzelfde Nederlands wordt gesproken: het dialect van Maastricht is anders dan dat van Groningen of het plat-Haags. Wat in West-Friesland een 'boet' heet, wordt elders 'schuur' genoemd, en een Utrechtse 'wout' is in Amsterdam een 'smeris'.

In de voetbaltaal zijn er ook verschillen. De Vlaamse voetbaltaal heeft een aantal woorden die in Nederland niet worden gebruikt. Het woord match voor wedstrijd, ontmoeting of treffen is in Nederland wel, maar in Vlaanderen niet onbruik geraakt; het wordt overigens uitgesproken als 'matsj'. 'De Mesmaeker werd gefould' schrijft Het Laatste Nieuws, waar een overtreding tegen deze speler werd begaan. Andere Engelse woorden hebben in België juist eerder afgedaan dan in Nederland: men heeft het daar niet over hands maar over handspel, en voor de wedstrijd doen de spelers een opwarming en niet een warming up.

Hier volgt nog een rijtje Vlaamse voetbalwoorden met tussen haakjes het Noord-Nederlandse alternatief: retro- (omhaal-), puntspeler (spits, spitsspeler), markeren (dekken, verdedigen; het Vlaamse woord is duidelijk afgeleid van het Engelse 'to mark'), laterale pass (breedtepass), binnendraaier (inswinger), beenkap (scheenbeschermer ook wel scheendekker), hieltje (hakballetje), doeltjeskermis (doelpuntenfestival), boten (voetbalschoenen), op verplaatsing (uitwedstrijd), dubbelpass (één-tweetje). Bij één woord is het mogelijk dat het Vlaams de algemene voetbaltaal heeft beïnvloed: binnenkoppen voor de bal inkoppen. 'Eykelkamp kopt de bal binnen na een voorzet van Roossien' of soms ook gewoon: 'Eykelkamp kopt binnen na een voorzet van Roossien'. Naast 'binnenkoppen' kan men tegenwoordig in Nederlands ook binnentikken of binnenschieten. Bij een doelpunt 'is de bal binnen'.

Voor strafschop/penalty is in 1974 uitgezocht hoe diewoorden of varianten ervan over Nederland zijn verspreid. Het blijkt dat in het hele Nederlandse taalgebied zowel strafschop als penalty (of Nederlandse aanpassingen) voorkomen, en dat strafschop in het Noorden sterker is vertegenwoordigd dan in het Zuiden. Er zijn nogal wat verschillende vormen afgeleid van penalty. Eerst is er de vorm penneltie, die ook wel de l verliest, met dus als resultaat pennetie. In veel streken werd -tie opgevat als uitgang voor het verkleinwoord. Een echte strafschop in het grote-mensenvoetbal kon toch geen 'strafschop-je' worden, en zo ontstonden in Groningen, Friesland en Drenthe het komisch duo pennel en pinnel.

En het gaat nog verder, zoals de dialectoloog J. Berns heeft uitgezocht. In sommige dialecten voegt men wel een d in na een n, zodat 'tunnel' 'tundel' wordt; dat leidt bij het voetbal tot de pendel en de pindel (vooral in Groningen). In andere dialecten maakt men van nd weer ng: pengel en pingel zijn geboren. Verder is er de vorm pienantie (ook wel penantie, penentie en pienentie), waarin de l vervangen is door een n en de klemtoon van de eerste lettergreep in het Engels verschoven is naar de tweede.

Er worden in Nederland ook andere talen gesproken, zoals het Fries en het Sranan Tongo. Bijna alle voetbalwoorden in het Fries zijn regelrechte vertalingen van Nederlandse woorden. Strafschop werd dus 'strafskop' en scheidsrechter werd 'skiedsrjochter'. Het enkele echt Friese woord, zoals 'tsjinhálder' (letterlijk 'tegen-houder', dus keeper) wordt vrijwel niet gebruikt. Enkele voorbeelden van voetbaltermen in het Sranan zijn: 'dorosei' (buitenspel), 'mindribere' (middenvelder), 'friekiekbal' (overtreding), 'sining' (speel af, als aanwijzing aan een medespeler).

Naast personen van het mannelijk geslacht zijn er ook vrouwen die voetbal spelen. Hebben die een eigen, vrouwelijke terminologie? Het antwoord kan kort zijn: nee. Zelfs de tegenstandster in het veld wordt vaak aangeduid met man of mannetje. Zo kan men de ene vrouw tegen haar medespeelster horen roepen 'Dek je mannetje'. Teams bestaande uit meer 'bewuste', feministisch georiënteerde vrouwen gebruiken in dergelijke situaties ook wel vrouw of vrouwtje, maar het is natuurlijk de vraag of 'Dek je vrouwtje' zoveel fraaier is. Overigens zal er in zo'n elftal ook eerder een balletje Opzij gelegd worden dan een balletje breed.


terug | inhoudsopgave | vooruit