Voetbaltaal (René Appel, 1990)

In Nigeria heeft Murtala wel gevoetbald. Partijtjes op kurkdroge veldjes waarop een sprietje gras nog zeldzamer was dan een bloeiende seringenboom op de Noordpool. Stoffig en warm. En iedereen voetbalde voor wat hij waard was, altijd. Het belangrijkste was om zo veel mogelijk doelpunten te maken, in ieder geval meer dan de tegenpartij. Sommige spelers hielden de bal, of wat daarvoor door moest gaan, zo lang mogelijk bij zich. 'En balverliefde pingelaar,' hoorde hij hier in Nederland zeggen. Anderen speelden wat eerder de bal af naar een teamgenoot, maar van een systeem, een tactiek was geen sprake.

Bij zijn Noord-Amsterdamse elftal, dat in de allerlaagste klasse van het afdelingsvoetbal speelt, gaat het al heel anders. Murtala krijgt het advies het veld breed te houden. 'Het veld breed houden', hoe is dat in godsnaam mogelijk, als datzelfde veld begrensd wordt door de zijlijnen. Hij wordt toch niet geacht daar buiten te gaan lopen? 'Nee, niet steeds naar binnen trekken, en de bal opzoeken, dan lopen er te veel mensen in de trechter. En wil je de bal diep hebben of in de voeten?'

Voetbal is niet zomaar tegen een bal trappen, en dat zo handig en zo goed doen dat je meer scoort dan de tegenpartij. In de beginjaren van het voetbal was dat in feite wel het geval. In het midden van de negentiende eeuw was het nog volledig een dribbling game. In het doel stond uiteraard één keeper, die geassisteerd werd door één verdediger, en verder waren er negen aanvallers. De bal werd nooit met opzet naar een teamgenoot geplaatst, maar iedere aanvaller probeerde de bal in het doel te dribbelen. Als hij daar niet in slaagde, pikte een medespeler de bal op om het opnieuw te proberen. Of de tegenstander veroverde natuurlijk de bal, en de hele meute rukte op naar het andere doel. Inderdaad, bijna iedereen herkent het, het echte pupillenvoetbal, zoals dat godzijdank nog niet kapotgemaakt is door trainers, jeugdleiders en vaders met Nederlands-elftalambities voor hun zonen. Een klont jongetjes om de bal, die bij een enigszins gelijk opgaande strijd heen en weer drijft tussen de twee doelen. Prachtig: zoals het voetbal ooit begonnen is, begint iedereen weer te voetballen.

In 1863 werd de Engelse Football Association opgericht, die ook spelregels vaststelde. Eén van die regels was dat elke speler tussen de bal en het doel van de tegenspeler buitenspel stond. Er stond dus nooit een medespeler vóór de bal naar wie de bal kon worden toegespeeld. Leve de dribble! Gouden tijden voor de pingeldozen en balgoochelaars. In 1866 werd de buitenspelregel veranderd. Je stond niet buitenspel als er zich nog drie tegenspelers tussen jou en de bal bevonden. Dit maakte samenspel mogelijk, en voetbal werd een passing game. Verdere globale tactische veranderingen zijn al in het tweede hoofdstuk besproken. Hier komt nog een serie andere tactische termen aan de orde.

Er bestaan verschillende soorten voetbal. Open voetbal lijkt het meest op wat de essentie is van het spel: meer doelpunten maken dan de tegenstander, niet te veel letten op diens tactiek, maar gewoon je eigen spel spelen. Daartegenover staat het behoudend voetbal, waarin veel spelers achterin of achter de bal worden gehouden, en doelpunten voorkomen belangrijker lijkt dan zelf scoren: het verderfelijke Italiaanse catenaccio. 'We probeerden op de nul te spelen,' verklaart de trainer monter, 'en hoopten op de counter. We hebben tenslotte een paar snelle jongens voorin.' Catenaccio en counter, misschien wel het geniepigste stel uit de hele voetbaltactiek. Maar ja, als je je een Calimero voelt, en je wilt niet worden afgedroogd, dus niet met grote cijfers verliezen, en je bent al rode-lantaarndrager of je bevindt je in de degradatiezône, dan kan zo'n speelwijze een uitkomst zijn. In het algemeen heet dit ook wel resultaatvoetbal: het gaat niet om het spel, maar om de knikkers.

In 1974 bij het Wereldkampioenschap in Duitsland (nee, niet weer over die verloren finale) introduceerde Nederland het totaalvoetbal: het onderscheid tussen verdedigers, middenvelders en aanvallers is zo goed als opgeheven. Iedereen speelt op alle posities. Het ene moment valt het hele elftal aan, en direct daarna assisteert iedereen in de verdediging. De keeper, die natuurlijk nog wel een vaste plaats heeft, fungeert tegelijkertijd als een soort tweede vrije verdediger. Het is zijn taak om doorbrekende tegenstanders te stoppen door ver uit zijn doel te komen. Gegroepeerd voetbal oogt mooi maar weinig spectaculair. De ploeg valt als het ware groepsgewijs aan. De bal wordt veel rondgespeeld, en het 'groepje' schuift langzaam in de richting van het vijandelijke doel. De onverwachte pass naar een vrijstaande medespeler moet voor verrassing zorgen. Bij gegroepeerd voetbal wordt op balbezit gespeeld, dus met weinig risico; soms wordt er zelfs 'heel zuinig op balbezit gespeeld'. Bij dit soort spel worden veel driehoekjes gemaakt. Een tikkie-terug is schering en inslag, evenals het befaamde balletje-breed: een klein passje opzij naar een meelopende teamgenoot.

Technisch minder begaafde elftallen houden het op werkvoetbal: een keeper en tien zwoegers die het vooral van enthousiasme, inzet en een ijzeren conditie moeten hebben. Geen subtiele tikjes, maar lange halen gauw thuis, dat wil zeggen de bal met lange trappen naar voren in de richting van het vijandelijke doel. De uitdrukking kick-and-rush wordt ook wel gebruikt, en iedereen heeft dan ook altijd associaties met het Engelse voetbal.

Bij een achterstand, vlak voor tijd, wordt er overgeschakeld op alles-of-niets-voetbal. De bal wordt in de zestien gepompt, dat wil zeggen, er worden zoveel mogelijk ballen in het strafschopgebied van de tegenstander gespeeld. De bal wordt blind naar voren getrapt, op hoop van Heijermans. Alles hoog voor de pot. De vrije verdediger trekt mee ten aanval en achterin wordt één-tegen-één gespeeld, dus de verdedigers hebben geen rugdekking meer. Van enig overleg is eigenlijk nauwelijks sprake. Het gevolg is flipperkastvoetbal.

Een elftal dat totaalvoetbal speelt, probeert meestal de tegenstander vast te zetten op de eigen helft. Die tegenstander krijgt niet de gelegenheid de bal rustig uit te verdedigen; er wordt op de bal gejaagd, in de hoop dat iemand een fout maakt. In het vorige hoofdstuk werd het begrip fore-checking genoemd, soms al vernederlandst tot voor-tsjekking. Maar trainers zeggen ook wel pressie te willen spelen, waar we trouwens 'pressie uitoefenen' zouden verwachten. Soms wordt het ook pressing spelen, of er wordt een werkwoord van gemaakt: 'Hoewel het de klasse van Groningen was, dat ze werkelijk met z'n allen de aanval zochten en begonnen te pressen.' Een alternatief is weer doorpressen: af en toe moet je kunnen terugzakken of doorpressen,' verklaart de trainer zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.

Merkwaardig, zo'n woord als pressie is tamelijk recent, en nu bestaan er al zoveel varianten van. Binnen niet al te lange tijd kunnen we waarschijnlijk ook meepressen, uitpressen en voorpressen verwachten.

Voetballen is natuurlijk niet alleen zelf doelpunten maken, maar ook je tegenstander dwars zitten, hem het spelen zoveel mogelijk verhinderen. Daarom wordt de tegenstander gedekt. Het is een speciale betekenis van dekken dat verder volgens het woordenboek onder andere staat voor 'geheel bedekken', 'tegen een vijandelijke aanval beschermen' en '(van mannelijke zoogdieren) paren met'. Gek genoeg is de betekenis van het 'voetbal-dekken' bijna tegenovergesteld aan wat hier als tweede gegeven is. En zelfde soort tegenstelling bestaat bij het recent in zwang gekomen 'iemand verdedigen', dat in het eerste hoofdstuk al is besproken. De wegen van de taal zijn wonderbaarlijk.

Er zijn twee typen dekking: mandekking en zonedekking. Inhet eerste geval speelt een verdediger van de ene partij op de aanvaller van de andere partij: 'Van Eck speelt in de mandekking op Otto'. In het begin van de wedstrijd is al te zien welke paartjes er worden gevormd (nee, dit heeft niets te maken met de hierboven genoemde derde betekenis van 'dekken'). De twee leden van het paartje zijn elkaars persoonlijke tegenstander. Sommige aanvallers moeten kort gedekt worden: de verdediger moet hen echt op de huid zitten, niet de gelegenheid geven rustig de bal aan te nemen. Bij zonedekking heeft niemand een 'eigen mannetje'; gedekt wordt diegene die in het betreffende deel van het veld opkomt. Sommige voetballers kunnen goed 'in de zone spelen', andere zijn weer beter als mandekkers, klevers.

Er is een uitgebreid jargon beschikbaar voor de 'bewegingen' van de speler, ook de bewegingen zonder bal die in veel tactische concepten van het grootste belang zijn. Vooral de middenvelders moeten gaten trekken, dat wil zeggen in de ruimte sprinten en een tegenstander meelokken. Hierdoor ontstaat een 'gat', dat niet wordt afgedekt, zodat een medespeler min of meer vrijstaand kan worden aangespeeld. Spelers moeten zich ook aanbieden: duidelijk maken dat ze de bal willen ontvangen. Daarbij is het belangrijk dat ze voor hun man komen, of uit de dekking komen. Ruimte en gat zijn soms volledig door elkaar te vervangen, zoals uit de volgende uitspraak van een speler blijkt: 'Ik zag de ruimte en ging op tijd het gat in.'

Bij een aanval moeten zo veel mogelijk mensen doorkomen: 'De grote mannen Eijkelkamp en Meyer werden nog wel goed gedekt maar toch kwamen er dan weer anderen door zoals Roossien en De Wolf'. Dat lukt Roossien en De Wolf natuurlijk alleen als ze over hun man heen gaan, waarbij de lezer opnieuw alle mogelijke erotische associaties uit zijn hoofd moet bannen. Het betekent simpelweg dat ze hun direkte tegenstander voorbijlopen. De aanvalskracht wordt in sterke mate vergroot door een inschuivende vrije verdediger; simpel gezegd: hij gaat mee naar voren.

Met een diepe bal, bij voorkeur in de vrije ruimte, moeten middenvelders de spitsen proberen weg te sturen. Die middenvelders moeten dan wel bijsluiten, of aansluiten bij hun voorhoede.

Het woord 'lijn' komt op twee manieren in jargon voor. Er kan gescoord worden uit de tweede lijn, dat wil zeggen: ongeveer vanaf twintig meter of verder van het doel af. Een verdediging kan ook op één lijn spelen, zoals in Engeland gebruikelijk is. Er is dan geen vrije verdediger die achter de anderen speelt om rugdekking te geven.

Zowel binnen als buiten het veld wordt er veel geroepen, vaak met het oog op de te volgen taktiek, de speelwijze. 'Roel, korter!' roept de trainer. Roel moet dan dichter op de man gaan staan die hij dekt. 'Schuif door!' wordt er geschreeuwd tegen een speler die te veel blijft hangen. 'Pak op!' betekent zoveel als: meng je in het spel, probeer de bal te veroveren. Een variant voor 'Pak op' is 'Zoek op'. Bij een hoekschop: 'Herm op de vijf!'. Het is dan de bedoeling dat Herm op de rand van het doelgebied gaat staan. 'Lucas, zakken!' brult de trainer: Lucas moet zich laten terugvallen; hij speelt te aanvallend.

'Tijd!' roepen spelers nogal eens tegen elkaar. Voor leken onbegrijpelijk, maar het betekent simpelweg dat de speler veel tijd heeft om iets met de bal te doen, er is geen tegenstander in de buurt. 'Achter je' is merkwaardig dubbelzinnig. Iemand kan dat roepen tegen een teamgenoot die in balbezit is om aan te geven dat hij de bal terug kan spelen, maar het kan ook betekenen dat de medespeler een tegenstander 'in zijn rug' heeft. 'Hoeken!' betekent: speel bij een aanval de bal in de richting van de cornervlag, de hoek, voor een opkomende aanvaller. 'Zijkanten!' wil zeggen: leg de bal breed in de richting van de zijlijn. Het zijn beide sterke verkortingen, waarin het zelfstandig naamwoord is getransformeerd in een werkwoord. Gek genoeg zou het blote zelfstandig naamwoord korter zijn.

Niet alleen bij wedstrijden van volwassen voetballers wordt er veel geschreeuwd, maar soms ook bij de kleinste voetballertjes, jongetjes van een jaar of acht, negen. Vooral vanaf de kant. 'Hou 't breed, Jordi!' roept de vader of de elftalleider. 'Denk aan je plek!' Mooi is ook deze: 'Nikki, je maakt er een rotzooi van, je bent buitenspeler aan de ándere kant.' Elke kant is voor Nikki gelukkig nog de goede kant, zolang de bal maar in de buurt is.


terug | inhoudsopgave | vooruit