'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, mei 2002, blz. 132

Met het Nederlandstalige lied is in de vorige eeuw alles gebeurd wat een genre maar kan overkomen. Het heeft zalen doen vollopen, het heeft zalen doen leeglopen. Het heeft succes gekend, het heeft ellende gekend. Het is een keer of drie verhuisd van de bouwsteigers naar de salon – en weer terug. Maar nooit is het Nederlandse lied, of het nu gaat om smartlappen, truckershits of carnavalsnummers, overkomen wat zich de laatste vijf jaar voltrekt: uitholling door wartaal. Nog nooit hebben zo veel grammaticaal verdachte liedjes door de hitlijsten gewaard. Regels als “Ja en al onze dromen / stak de sleutel op 't slot” (Guus Meeuwis), “Tussen nooit en misschien heel soms / Tussen ik en ons” (De Poema's) of “Sluit me op, gooi de sleutel, laat de hond erop af / haal het onderste boven, je weet dat het niet anders kan” (Abel) – wat moeten we ermee? Niet over nadenken, gewoon meezingen?

Er is een verklaring voor. Populaire Nederlandstalige muziek heeft zijn wortels in Engelse en Amerikaanse popmuziek. Omdat Engels als taal eenvoudiger en beknopter is, begint de Nederlandse tekstschrijver al met een achterstand. Hij is van meet af aan bezig om het Nederlands in het ritme van een andere taal te proppen. Bovendien valt het in het Nederlands meteen op wanneer een tekst onzinnig is, terwijl iedereen honderden Engelstalige nummers fonetisch kan meezingen zonder ooit diepgaand te zijn geconfronteerd met de inhoud ervan. Ondanks, of misschien juist dankzij die beperkingen zijn er duizenden prachtige Nederlandstalige popnummers geschreven. Tekstschrijvers als Rick de Leeuw, Huub van der Lubbe of Raymond van het Groenewoud hebben grote oeuvres met uitstekende teksten opgebouwd. Niet dat die taalkundig allemaal om door een ringetje te halen zijn – een popnummer is nu eenmaal iets anders dan het Groot Dictee – maar over het algemeen bestaan ze uit klare taal waarvan je je niet na tien keer luisteren afvraagt: wat zingt die man nu eigenlijk?

De laatste vijf jaar slechten steeds meer tekstschrijvers de frictie tussen tekst en muziek op een nieuwe manier: ze laten grammatica vallen voor ritme. Als gevolg daarvan ontstaat er langzaam maar zeker een soort steenkolen-Nederlands dat eigenlijk alleen in liedjes wordt gebezigd. De onbetwiste koningen van dit stijlmiddel zijn Acda en De Munnik. Zeker de helft van hun liedjes bevat ongrammaticale, maar goed bekkende regels als “Wat er fout ging? / Ik denk de jaren / Te veel jaren te lang goed / Je kunt de dans wel / Wel lang ontspringen / Tot het moment en dat is nu / Dat je toch eens dansen moet”.

Nu is het allerminst mijn bedoeling om zulke goede liedjesschrijvers af te rekenen op cryptische regels als “Foto's bij een zee of zo / Of jou alvast met dat kado / Ik wil foto's van hoe mooi het was vandaag / Dat ze gelukkig was”. Zolang een dichter als Jacques Hamelink ongestraft geleuter als “Hoor hoe de naar de uiterst onreine later om het reine / honingzeem teruggekeerde, de bedrogene het uitschreeuwt / na het bijenkorfbelcanto door de aas- en varkenseters!” aan het papier mag toevertrouwen, zijn Acda en De Munnik boven iedere kritiek verheven. Maar nietszeggend orakelen was tot nu toe slechts het privilege van de dichter, niet van de zanger. Kortom: lanceer Jacques Hamelink en consorten op cd-single en nomineer Acda en De Munnik voor de Herman Gorterprijs. Zowel de poëzie als de liedkunst zal ervan opknappen.


<< april 2002 | juni 2002 >>

Dossier 'Raptus'