'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, december 2002, blz. 347

De traditie van het sinterklaasgedicht weigert te sterven. Omdat ik een paar dichtbundels heb gepubliceerd, is een deel van mijn omgeving ervan overtuigd dat het schrijven van sinterklaasgedichten mij gemakkelijk afgaat. Een dichter is immers het hele jaar door bezig met het schrijven van gedichten over moeilijke dingen, dus een rijmpje bij een pond marsepein of een stevige chocoladeletter moet hij zo uit zijn duim kunnen zuigen. Een ander deel van mijn omgeving denkt dat ik juist totaal niet in staat ben tot sinterklaasversjes, omdat ik me als beoefenaar van 'serieuze' poëzie natuurlijk niet meer kan verlagen tot gelegenheidspoëzie.

Beide kampen hebben ongelijk. Om met het laatste te beginnen: het maken van een gelegenheidsgedicht is niet heel veel anders dan het schrijven van een, hoe zullen we het noemen, autonoom vers. Het enige verschil is dat de aanleiding en het resultaat duidelijker zijn gedefinieerd. Dat geldt zeker voor een sinterklaasgedicht: de deadline ligt onwrikbaar rond 4 à 5 december, de vorm is (kreupel)rijmvast en de inhoud is bedoeld ter begeleiding van een geschenk en ter algemene bespotting van de ontvanger. Daarbij komt dat het gedicht niet is bedoeld voor contemplatief lezen en herlezen, maar voor éénmalige voordracht door een meestal ongeoefende spreker. Humor hoeft op geen enkele manier te worden geschuwd: wonderlijk rijm, clichés en stoplappen zijn toegestaan, kromme zinnen ook. Zelfs de uiterlijke vorm, in een onleesbaar handschrift, kan bijdragen aan het succes. Alles bij elkaar is het voor een geoefende dichter geen enorme uitdaging om zo'n gedicht te maken. Of hij er ook zin in heeft, is een tweede.

Aan de andere kant is een sinterklaasgedicht voor mij ook weer niet een makkie. Juist doordat het zo zit ingekapseld in vaste verwachtingspatronen, is het eigenlijk de dood in de pot. Ik schrijf geregeld gedichten in opdracht: geboortegedichten, verjaardagsgedichten, huwelijksgedichten, jubileumgedichten – noem maar op. Maar verzoeken van warenhuizen of winkelcentra om een middag sinterklaasgedichten te gaan zitten schrijven naast de kassa, sla ik altijd vriendelijk doch beslist af, omdat ik er te traag voor werk. Zoiets kun je beter vragen aan een freestyle rapper, die in staat is om er binnen een paar minuten een 'rhyme' uit te gooien over willekeurig welk thema. Razend knap vind ik dat, maar ik kan het niet en ik zal het nooit kunnen. De belangrijkste reden daarvoor is waarschijnlijk deze: bij willekeurig welk ander opdrachtgedicht dan een sinterklaasgedicht, wil de opdrachtgever verrast worden: hij draagt een thema en een vergoeding aan, maar hij wil graag dat je iets voor hem schrijft wat hij zelf nooit had kunnen bedenken. Iets wat hij altijd al had willen zeggen, maar pas herkent als jij het hebt gedaan. Bovendien zijn de meeste opdrachtgevers (en hun dichters) niet tevreden met een gelegenheidsgedicht dat alleen maar bij de gelegenheid past. Het is aardig als de aanleiding duidelijk is, maar het gedicht zelf mag gewoon over de eeuwige thema's gaan waar álle poëzie nu eenmaal over ging, gaat en zal blijven gaan. In het beste geval is er weinig tot geen verschil tussen het autonome werk van een dichter en het werk dat hij in opdracht maakt: geregeld neem ik opdrachtgedichten in mijn bundels op, eenvoudigweg omdat ik ze in alle opzichten geslaagd genoeg vind om erin te staan. Een sinterklaasgedicht is per definitie een wegwerpproduct, en ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om zoiets te schrijven.


<< november 2002 | januari 2003 >>

Dossier 'Raptus'