'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, juli/augustus 2001, blz. 193

Zelfs een dichter moet eten. Natuurlijk huist er een zekere romantiek in het cliché van de dichter als getourmenteerde, tuberculeuze armoedzaaier die niets liever wil dan vroeg vlammen en jong sterven, maar zulke dichters moet je met een lantaarntje zoeken. De Nederlandse dichter is, om met Anton Korteweg te spreken, “comfortabel ongelukkig”. Veel van onze letterheren en -dames zijn hoogopgeleide notabelen die op gezette tijden de kunstenaar in zichzelf loslaten. Het is algemeen aanvaard dat dichters carrière maken in de letterkunde, de psychiatrie of de bestudering van jaarringen. Als hun beroep al van invloed is op de ontvangst van hun werk, dan is die invloed positief. Het maakt weinig uit wat ze doen om aan de kost te komen, zolang ze maar geen podiumdichter worden.

Wat is een podiumdichter? Laten we hem losweg definiëren als 'een dichter die geregeld eigen werk voordraagt voor publiek, zo mogelijk uit het hoofd, eventueel ondersteund door live of vooraf gecreëerde muziek en/of beelden'. Wie weleens een literaire avond bezoekt, weet dat de meeste dichters niet in dit profiel passen. Veel papieren tijgers veranderen in schildpadden zodra ze worden uitgenodigd om hun werk te komen voorlezen. Hun strottenhoofd lijkt een rudimentair lichaamsdeel dat ergens in de vorige eeuw, tijdens de aftocht richting ivoren toren, van lieverlee is afgestorven. Met bijstand van een welwillend gehoor kan hun onbeholpenheid omslaan in charme – een mompelende, fluisterende en monotone charme die het uiterste vergt van publiek en geluidstechniek. Een dichter die geen zin heeft om zijn werk zo slecht te presenteren, wordt al snel voor podiumdichter aangezien. Een dodelijker stigma bestaat niet. Een podiumdichter is een Onaanraakbare. Geen fonds bekommert zich om hem, er bestaan geen aanmoedigende prijzen voor zijn werk, literaire mandarijnen laten zich laatdunkend uit over zijn gedichten en hij ontvangt geen kaartjes voor het Boekenbal. Voor een podiumdichter geldt de volgende strofe van Frank Koenegracht bij uitstek: “Ik denk dat iedereen wil / dat hij doodgaat maar daarna / wel zelf opstaat en naar huis gaat.”

De heersende opinie is dat podiumdichters per definitie mindere poëzie schrijven, omdat ze hun werk aanpassen aan de eisen die het podium stelt. Volgens Maarten Doorman in NRC Handelsblad gaat het om “elektriek versterkte podiumpoëten, tuk op direct succes in de zaal, (…) die het gewone woord en de begrijpelijke taal verkozen boven de als academisch versleten moeilijkdoenerij”. Ilja Pfeijffer stelt huiverend: “Wat het beste werkt op het podium zijn gedichten die een origineel idee uitwerken, bij voorkeur met een verrassende clou, in verzorgde maar toegankelijke taal, met aandacht voor klank en ritme, maar verder zo dicht mogelijk bij de taal van alledag. (…) Zulke hapklare poëzie is gewoon hetzelfde als zappen.” Dirk van Weelden schrijft met enige jaloezie in het meinummer van De Gids: “Er zijn weer jonge dichters die geen genoegen nemen met de letterkundige niche waarin de poëzie zich ophoudt en die openlijk haken naar een populairder, mediavriendelijker, zelfs met enige glamour omgeven dichterschap. (…) Hun podiumstatus houdt het midden tussen die van acteur en singer-songwriter. De directe communicatie met het publiek is het voornaamste doel.” Van Weelden noemt geen namen en dat ligt voor de hand, want de dichters die hij signaleert, bestaan niet. In Nederland zijn geen dichters die vinden dat hun werk uitsluitend op het podium thuishoort en niet op papier. Podiumdichters zijn net zulke fictieve wezens als papierperformers. Er zijn wel dichters die van nature toegankelijk schrijven en goed voordragen. Ze kiezen niet, maar delen: het is juist de combinatie van papier en podium die hen zo succesvol maakt. Hun criticasters kunnen veel van hen leren.


<< juni 2001 | september 2001 >>

Dossier 'Raptus'