Debatten trekken aandacht ... maar ontstijgen met veel geluid en weinig inhoud zelden het niveau van een verjaardagsdiscussie. Kijk op zaterdag maar naar het tv-programma 'Het Lagerhuis'. Aan een echt debat mag men hogere eisen stellen. Een pleidooi voor het debat als verdienstelijk steekspel.

Mr. drs. Peter M. van der Geer - voorzitter Stichting Holland Debate en trainer in debatvaardigheden

De belangstelling voor debatteren groeit als kool nu enkele grote steden net als honderd jaar geleden weer debatingclubs hebben. Er bestaat zelfs een debathandboek: Werken aan debatvaardigheden. Krijgt de retorica een nieuwe kans? Lopen we hiermee onze verbale achterstand op de rest van Europa in?

Enige bescheidenheid is op z'n plaats. De populaire versies van het klassieke speldebat lijken eerder geboren uit sensatiezucht dan uit eerbetoon aan een uiterst zinvolle discussievorm. Door hun gebrek aan inhoud bevestigen ze bij menigeen de afkeer van holle welsprekendheid. Wie iets mooi en ferm zegt, krijgt applaus. Wie denkt en twijfelt, krijgt het woord niet.

Consensusdenken

Wat we in Nederland een debat noemen, blijft veelal steken op het niveau van een kakelpartij in een kippenhok. Een dieptepunt is het televisieprogramma 'Het Lagerhuis' – bedoeld als heus debatprogramma – met Marcel van Dam en Paul Witteman als nieuwe rederijkers. Lager kan debatterend Nederland op zaterdagavond niet zakken. Iedereen roept zijn mening, kritisch luisteren en reageren is er niet bij – dat vindt men, onder het mom van onze gepatenteerde tolerantie, waarschijnlijk veel te destructief. Hoe komt dat toch? Sommigen zoeken het in onze volksaard. Wat je beweert, is wat je zelf van harte gelooft en belijdt. Kom je aan iemands argumenten, dan kom je aan de persoon. De gevolgen voor het debat zijn funest en de kritische kijker wordt door afgrijzen bekropen.

Cultuurkenners wijzen daarbij nog op ons consensusdenken (ouder dan ons parlementaire stelsel), ons onderwijs (kennis kan zonder verbale vaardigheden) en onze rechtspraak (daarin passen geen hartstochtelijke pleidooien, laat staan een jury). Kortom, debatteren past niet in onze cultuur van praatgroepen, spreekbeurten en overlegorganen. Maar zo is het niet. We moeten leren op de juiste wijze met het fenomeen debat om te gaan.

Wie een debat aankondigt, schept verwachtingen. Men verwacht een confrontatie op het scherp van de snede, waarbij de waarheid van de standpunten niet per definitie vaststaat. Van zo'n debat kun je genieten. Niet het geluidsvolume van de spreker en de bevestiging van het eigen gelijk, maar de weloverwogen argumenten en het verbale trapezewerk bekoren.

Principes

Dat debatten soms van een deplorabel niveau zijn, ligt aan de houding van de deelnemers en de opzet van het debat. Wil debatteren niet ontaarden in ordinair bekvechten, dan moet er aan twee voorwaarden voldaan worden. Ten eerste is er het principe van scheiding van persoon en argumenten. Niet voor niets zegt de rijke Angelsaksische debattraditie be the argument. Voor de goede verstaander betekent dit dat je je kunt inleven in willekeurig welk argument. Wie zich verweert met het bezwaar 'Ik kan toch niet iets zeggen wat ik niet geloof?!', onderschat misschien zijn eigen intelligentie en miskent in elk geval de crux van het debat.

Het tweede principe is dat deelnemers een eerlijke kans krijgen om op elkaar te reageren. Om dit te bereiken heeft het traditionele debat bepaalde spelregels. Geen dwingend keurslijf, maar regels waarmee alle deelnemers (debaters en publiek) hun voordeel kunnen doen.

De eerste regel is dat er aan het debat een stelling ten grondslag moet liggen. Geen vaag onderwerp (`de toekomst van onze infrastructuur'), maar een controversiële uitspraak ('het Groene Hart mag worden volgebouwd'), waarbij voor- en tegenstanders in principe gelijke kansen hebben. Dat draagt bij aan een levendige, duidelijke en zinvolle discussie. Ten tweede zijn in het klassieke debat de voor- en tegenstanders duidelijk van elkaar gescheiden, waardoor de discussie niet snel verzandt in het grijze midden. In het speldebat wordt zelfs – uit educatieve overwegingen – bij loting bepaald welk standpunt men inneemt. Alleen de oppervlakkige beschouwer zal hieruit concluderen dat debatteren een toneelstukje is.

Naar goed gebruik geven partijen hun hoofdargumenten aan het begin van het debat. Cruciale argumenten die aan het slot als konijnen uit de hoge hoed komen, zijn uit den boze. Het inhoudelijke steekspel krijgt alle ruimte en het publiek kan voor- en tegenargumenten goed gescheiden houden.

Ten derde krijgen voor- en tegenstanders evenveel spreektijd en kunnen zij beurtelings op elkaar reageren. Dat is wel even wat anders dan de televisiewet 'Wie het hardst roept is het langst in beeld'.

Ten vierde is er ter verhoging van de spanning na afloop een kritisch oordeel van een derde, (het publiek of een jury), een belangrijk sluitstuk, maar tevens de achilleshiel van het debat.

Tussen Socrates en Sofisme

In deze snelle tijden ligt er veel nadruk op 'Hoe overtuig ik de ander van mijn gelijk?'. Daarmee is het debat vooral op sofistische leest geschoeid: waarván men iemand overtuigt is minder belangrijk dan dát men overtuigt.

Wie is daaraan schuldig? Het publiek, dat krijgt het debat dat het verdient. Leken en deskundigen laten zich bij hun oordeel dikwijls subjectief leiden door de algemene indruk of een vlotte presentatie. Met andere woorden, het ontbreekt ons aan een voldoende kritische houding. Een ervaren debater heeft dat door en maakt van een kunst een kunstje. Debatteren krijgt daardoor het karakter van een studentikoos tijdverdrijf of wordt voorwerp van oppervlakkig kijk- en luistergenot. Zo laten ook politici zich verleiden tot schijndebatten omdat er camera's bij zijn. Dat doet geen recht aan het debatteren als argumentatiekunst, waarin overtuigingskracht én diepgang het devies zijn. Als een hedendaagse Socrates zou elke deelnemer de ander kritisch moeten bevragen op zijn argumenten. Dan zijn weerleggingen essentieel en is louter herhaling van standpunten vruchteloos.

De geschetste uitgangspunten en regels van het klassieke speldebat dwingen deelnemers elkaar niet met persoonlijke anekdotes, maar met argumenten te bestrijden. Dat stelt hoge eisen aan de deelnemers. Er zouden meer kritische debaters kunnen komen als het onderwijs de handschoen opneemt en het debat als actieve werkvorm gaat gebruiken. Er zijn twee belangrijke argumenten voor meer debatonderwijs. Kennis is pas waardevol als je die overtuigend voor het voetlicht kunt brengen, en debatteren is dé methode om deze vaardigheid te oefenen. Bovendien bevordert debatteren het zorgvuldig gebruik van onze taal.

Hogerhuis

Samenvattend: het debat zoals we dat nu kennen van radio, televisie en menig evenement geeft te veel aanleiding tot kritiekloze confrontaties. Wie een écht debat wil, moet de daarin verscholen pretentie waarmaken. Alleen dan kan de stijgende belangstelling voor debatteren gepaard gaan met een betere kwaliteit en kunnen we onszelf promoveren van een krakelend Lagerhuis naar een spitsvondig en spannend Hogerhuis. Daar is debatteren niet alleen gelijk hebben, maar ook gelijk krijgen en gelijk geven.