Iemand wordt uitgemaakt voor “beginnend lijder aan alzheimer”. En iemand anders voor “beroepslafaard”. Waar zijn we in beland? Een voetbalwedstrijd met een scheids die de weg kwijt is? Een ordinaire caféruzie? Nee, we bevinden ons in de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Kees van der Zwan | 21 oktober 2008

Aan het woord zijn de geachte afgevaardigden Graus en Wilders, die spreken over respectievelijk een collega-Kamerlid en de minister-president. Eerder had diezelfde Wilders de minister voor Wonen, Wijken en Integratie al eens “knettergek” genoemd. En alle volksvertegenwoordigers die zijn Koran-standpunt niet delen, waren “lafaards”, die het “land verraden” door niets te doen tegen de “tsunami van islamisering”.

Ali Baba

Enkele Tweede Kamerleden besloten onlangs dat het zo niet langer kan. Ze stuurden een brief aan Kamervoorzitter Gerdi Verbeet met het verzoek iets te doen aan het grove taalgebruik in de Kamer. De brief zal vast in goede aarde vallen, want ook Verbeet heeft weinig op met het getier op het Binnenhof.

Vast en zeker denkt ze weleens terug aan een jaar of twintig geleden, toen het er in het parlement heel anders aan toeging. Het was de tijd dat Janmaat namens de Centrumdemocraten in de Kamer zat. Zijn opvattingen over allochtone Nederlanders leken veel op die van Wilders, maar hij kreeg weinig ruimte om ze uit te spreken. Janmaat hoefde maar naar de microfoon te kijken, of de hele Kamer stond al op scherp. En als hij dan eens een wetsvoorstel over naturalisatie vergeleek met “het boekje van Ali Baba met zijn 40 assistenten”, zat Kamervoorzitter Dolman erbovenop: “Dit is een zeer discriminerende opmerking. Die neemt u terug, mijnheer Janmaat!”

Pim Fortuyn

Hoe kon dit allemaal zo veranderen? Misschien komt het door het sneuvelen van de zogeheten 'schrapbepaling'. Tot 2001 mochten 'onwelvoeglijke' woorden worden weggehaald uit de verslagen van de Tweede Kamer, en dat gebeurde ook vaak. Grove taal gebruiken had dus weinig zin, want die werd gewoon geschrapt. Toen dankzij tv en internet iedereen toch wel kon horen wat er werd gezegd, verdween die achteraf-correctie.

Het zou kunnen dat daardoor de remmen losgingen. Maar er was nog iets anders: de opkomst van Pim Fortuyn en zijn volgelingen van de LPF. Zij deden wat zij zeiden, maar bovenal zeiden zij wat zij vonden, en dat leidde tot dolle taferelen. Na de moord op Fortuyn (die Ad Melkert al “een leugenaar” had genoemd, en Frits Bolkestein een - jawel - “lafaard”) tuimelden de verwensingen over elkaar heen. LPF-Kamerleden scholden elkaar uit voor “schijtlul” (dan wel “dikke lul”), “omhooggevallen advertentieverkoper” en zelfs “kankergezwel”.

Springlevend

Al die LPF'ers zijn allang weer in de anonimiteit verdwenen, maar hun motto is nog springlevend: de dingen moeten bij hun naam worden genoemd. Vandaar ook dat lang niet iedereen het eens is met de jongste actie van de Tweede Kamerleden.

“Is een leugen als zodanig benoemen taalverruwing en is verhullend taalgebruik daarmee een kwestie van fatsoen?”, vraagt iemand zich af op een discussiesite. Het antwoord is waarschijnlijk 'nee', maar daarmee is niet alles gezegd. Want het beestje bij de naam noemen is nog wel even iets anders dan mensen werkelijk beledigen.

Wie een kroegbaas uitmaakt voor 'beginnend lijder aan alzheimer', wordt het café uit gezet, en wie de scheidsrechter 'een beroepslafaard' noemt, krijgt rood. Waarom zou dat in de Tweede Kamer anders moeten zijn?


Meer Nu.nl-columns van Onze Taal