Zaterdag begint de Tour de France. Vanaf dat moment is er ook weer een eigenaardig soort taal te horen, een taal waarin wielrenners worden aangeduid als 'mannen die met twee vingers in de neus de meet halen' of bij wie het 'uit het eelt van hun tenen moet komen'. Een taal ook waarin 'Mag ik dat zo zeggen?' in één adem wordt gevolgd door: 'Ja, dat mag ik zo zeggen.'

Kees van der Zwan | 30 juni 2009

De wielerliefhebber heeft het vast al gemerkt: dit is de taal van Tourveteraan Mart Smeets. Smeets is de meester van de zelf gestelde en meteen ook zelf beantwoorde vraag. Én van de heroïsche aanduiding die tegelijk ook heel down-to-earth is. Renners zijn bij hem dus 'kerels die drie weken lang keihard door Frankrijk fietsen'.

Diep in de beugels

Ook dit jaar presenteert Smeets op tv weer De avondetappe, elke Tourdag vanaf een schilderachtige plek in de buurt van de finishplaats. Met gasten blikt hij terug op de dag, en dan kan hij het hebben over coureurs die 'diep in de beugels gaan', aanvankelijk 'in het pak gestoken worden', maar uiteindelijk toch 'rechtdoor naar school en kantoor' gaan.

Van die laatste uitdrukking (betekenis: 'hard doorrijden zonder om te kijken') is zeker dat Smeets hem zelf heeft bedacht. In het onlangs opnieuw verschenen Groot wielerwoordenboek van Marc De Coster wordt rechtdoor naar school en kantoor in elk geval aan hem toegeschreven. Maar zonder twijfel is hij van meer uitdrukkingen de geestelijk vader.

Stoempen

Intussen bestaat er natuurlijk ook buiten Mart Smeets om wielerjargon. Een bekend woord is stoempen. Het betekent, aldus Marc De Coster, “schonkig fietsen, keihard doorgaan, met de blik op oneindig en het verstand op nul”. En natuurlijk afzien ('zich afbeulen'), dat ook los van het wielrennen veel wordt gebruikt ('afzien als een beer', dan wel 'als een paard').

Wielrennen is vooral lijden, en dat zie je terug in de vele manieren waarop je kunt zeggen dat je aan het afzien bent. Je kunt 'diepgaan', 'het snot voor de ogen hebben', 'kiezen voor de dood of de gladiolen', 'kapotgaan', 'de man met de hamer tegenkomen', 'door de draad gaan' en uiteindelijk 'dood zitten', of zelfs 'steendood zitten'.

Slikken en spuiten

Dat er allerlei manieren zijn om dit lijden te verzachten, is bekend: er wordt in het peloton nog altijd geslikt en gespoten bij het leven. Maar daarover houden de renners zich graag op de vlakte - zeker de laatste jaren, met al die dopingaffaires en de roep om schoon wielrennen.

Áls er in het peloton al iets over wordt gezegd, dan gebeurt dat heel omzichtig, in steeds veranderende geheimtaal. Het D-woord heeft vele synoniemen en varianten, zoals accuzuur, gesneden brood (groeihormonen), negertjes (amfetamine in zwarte bolletjes), kevers (het middel undestor), wespen (aranesp, een soort epo), bommetjes (dexedrinecapsules) en American coffee (cocktail van middelen).

Snok

Over wielertaal valt nog veel meer te zeggen. Bijvoorbeeld dat het Vlaams er een grote rol in speelt. Het enige moment dat je Nederlanders het woord goesting hoort gebruiken, is als ze Vlamingen willen nadoen - en tijdens de Tour de France. Ook snok is typisch Vlaams; het betekent 'ruk' en het komt voor in er een snok aan geven ('versnellen om te zien wie er kan volgen').

Bovenal valt op hoe bloemrijk de taal van het wielerpeloton is. Waarom zou je zeggen dat een renner steeds trager rijdt en wordt ingehaald, als het ook zó kan: 'Hij draaide vierkant en werd ten slotte opgegeten door de groep.'

Lexicons

Alles over al die wielerwoorden is te lezen in het woordenboek van De Coster, maar ook in een ander boek dat onlangs verscheen: het Wielersportwoordenboek van Van Dale. En dan komt er binnenkort nóg een wielerlexicon, in augustus - heel handig precies na de Tour.

Maar liefst drie wielerwoordenboeken in één zomer. Er is maar één conclusie: wielrennen is een belangrijke sport. Mag ik dat zo zeggen? Ja, dat mag ik zo zeggen.


Meer Nu.nl-columns van Onze Taal