De klassieke retorica bij Van 't Hek en Multatuli

'Taal en overtuigen', daarover gaat het Onze-Taalcongres dit najaar. Het kan niet anders of sprekers zullen op dat congres ook ingaan op de retorica: het antieke systeem van adviezen voor welsprekendheid en doeltreffend communiceren. Heb je ook tegenwoordig nog iets aan die retorica-adviezen? Over de overtuigingskracht van Youp van 't Hek en Multatuli. 

Frank Jansen

De dagelijkse maaltijd bereiden is een klusje van niks. Het moeilijkst zijn nog de aardappelen: schillen, opzetten met water, prikken of ze gaar zijn. Ze worden samen met de rest van de maaltijd opgegeten en dat was het dan. Maar soms is het niet voldoende, als de chef op bezoek komt bijvoorbeeld. Dan mogen de aardappelen niet aangebrand zijn, liever nog verwerken we deze nederige kost tot een gegratineerde schotel. Alles wordt in het werk gesteld om één ding te bereiken: dat de chef naar huis gaat met het idee dat hij nog nooit zo lekker gegeten heeft. We raadplegen een kookboek.

Met communiceren gaat het net zo. In het dagelijks leven komen we goed weg met een beetje kletsen en voor de vuist weg iets opschrijven. Maar er zijn omstandigheden waarin we ons geen communicatiemisstap kunnen veroorloven. Dan moet het duidelijk zijn wat we zeggen, en moet onze overtuigingskracht maximaal zijn. Ook voor communicatie bestaat er een kookboek. Het is bijna drieduizend jaar oud en het heet retorica.

Heb je tegenwoordig nog iets aan die retorica-recepten? Laten we eens kijken naar een column van Youp van 't Hek, in NRC Handelsblad van 11 maart 1995.

Voetbalsupporters

Youp van 't Hek zat eens bij een wedstrijd van Ajax en hoorde supporters van de tegenpartij een liedje zingen waarin de trainer van Ajax wreed herinnerd werd aan het overlijden van zijn vrouw. Van 't Hek geeft de beledigende teksten weer in zijn column en gaat zó verder (ik laat hier en daar een fragmentje weg):

Hoorde niemand de liedjes? Het hele stadion hoorde ze en de politie zeker, daar de jongens die het staan te zingen omringd zijn door een paar honderd ME'ers. De politie staat er als het ware tussen, maar niemand doet iets. Niemand. De wedstrijd wordt niet stilgelegd, het vak wordt niet ontruimd, alles gaat gewoon gezellig door.
Maar wat is er met ons aan de hand dat we hier niet meer op reageren? Zijn we inderdaad de volgevreten impotente klootzakken geworden die zeggen dat dit nou eenmaal bij voetbal hoort? Of is er toch nog iets aan te doen?

Ik stel deze vraag nu openlijk aan Schelto Patijn, de burgemeester van Amsterdam, en verwacht een antwoord! Waarom laat u de wedstrijd niet stilleggen, het vak ontruimen, om daarna weer door te gaan? Welke tekst moet je zingen om dat gedaan te krijgen? Waar ligt uw grens?

Ik stel dezelfde vraag aan Eric Nordholt, die de best betaalde hoofdcommissaris van ons land is omdat hij bijzondere kwaliteiten schijnt te hebben en verwacht een antwoord! (...)

Ik stel deze vraag aan Michael van Praag, (...)

Ik stel deze vraag aan Danny Blind, (...).

Ik stel de vraag aan iedereen, inclusief mijzelf, en wil een antwoord. Een echt antwoord. Dit soort liedjes kan niet, mag niet en overschrijdt alle grenzen. Ik zwicht bij uw antwoorden niet voor smoes-argumenten dat het maar om een relatief klein groepje gaat, dat dit soort uitwassen er nou eenmaal bij horen en dat er niets aan te doen is. Kortom: geen politiek antwoord. Er is wel iets aan te doen!

De column sloeg in als een bom. Geen wonder: het fragment laat zich lezen als een staalkaart van retorische technieken. Ik noem er enkele:

  • Vragen. Van 't Hek stelt vragen. Hij begint in de eerste zin met een vraag aan zichzelf, waarop dadelijk een antwoord volgt (in retorische termen een 'subjectie'). In de tweede alinea volgt dan een serie vragen ('quaestio'), waarop het gewenste antwoord iedere lezer duidelijk zal zijn (de ' retorische vraag'). In de volgende alinea's wordt deze vraag aan diverse personen gesteld (' apostrophe'). Deze personen zijn geordend van relatief onbelangrijk in de voetbalwereld tot de halfgod Blind, een echte climax dus.
  • Herhaling. De vraag wordt op een stereotiepe manier aan de orde gesteld, namelijk door de herhaling van “Ik stel deze vraag ...''. Door deze 'repetitio' krijgt het stukje ook een structuur die makkelijk te begrijpen is. Een ander type herhaling zien we in de eerste alinea, die als een keten van ontkennende woorden gelezen kan worden: niemand – niemand –  niemand –  niet –  niet.
  • Concrete beschrijvingen. We hebben al gezien dat Van 't Hek de vraag prangender maakt door hem aan steeds weer andere bestaande personen te stellen. Deze hang naar concreetheid (`evidentia') zien we overal in de tekst. Neem bijvoorbeeld de eerste alinea, waar de schrijver in tweede instantie geen genoegen neemt met de formulering “niemand doet iets''; direct erna noemt hij twee concrete handelingen: “De wedstrijd wordt niet stilgelegd, het vak wordt niet ontruimd''. Van 't Hek spreekt de verantwoordelijke personen aan. Dat werkt veel beter dan een algemene oproep.
  • Tegenstelling. Van 't Hek maakt in de laatste zin gebruik van de tegenstelling geen – wel. Een subtieler geval is te vinden in de eerste alinea, namelijk een tegenstelling tussen 'allerhande acties die niet ondernomen worden' en 'alles wat gewoon verder gaat'.

Is het puur Van 't Heks talent? Of eerder zijn door vele optredens gevoede ervaring met 'wat het altijd doet'? Die vragen vind ik niet zo interessant. Voor mij is het alleen van belang dat iemand die beslist een eind aan een misstand wil maken, gebruikmaakt van retorische technieken, omdat die blijkbaar het best werken. Diezelfde technieken kunnen u en ik uit een boekje halen.

Lebak

Deed de column van Van 't Hek u misschien ergens aan denken? Bijvoorbeeld aan een beroemde passage uit de Max Havelaar van Multatuli? Havelaar heeft net gemerkt dat de inwoners van Bantan-Kidoel gekneveld worden. Hij wil daar een eind aan maken, en houdt een toespraak tot de hoofden van Lebak. Hier volgt een fragment. 

Hoofden van Lebak! Wij allen staan in dienst des Konings van Nederland. Maar Hij, die rechtvaardig is, en wil dat wij onze plicht doen, is vér van hier. Dertigmaal duizendmaal duizend zielen, ja meer dan zoveel, zijn gehouden zijn bevelen te gehoorzamen, maar hij kan niet wezen nabij allen die afhangen van zijn wil.
De Groote-Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zijn plicht doe. Maar ook deze, machtig als hij is, en gebiedende over al wat gezag heeft in de steden en over allen die in de dorpen de oudsten zijn, en beschikkende over de macht des legers en over schepen die op zee varen, ook hij kan niet zien waar onrecht gepleegd is, want het onrecht blijft verre van hem. 

En de resident te Serang, die heer is over de landstreek Bantam, waar (...)

En de heer Adhipatti, die Regent is van Zuid-Bantam, wil dat ieder leve die het goede betracht, en dat er geen schande zij over de landstreek die zijn regentschap is.

En ik, die gisteren den Almachtige God tot getuige nam (...)

Hoofden van Lebak! Dit wensen wij allen! Maar als er soms onder ons mochten zijn, die hun plicht verwaarlozen voor gewin, die het recht verkopen voor geld, of die de buffel van de arme nemen, en de vruchten die behoren aan wie honger hebben ... wie zal ze straffen? (...)

Hoofden van Lebak! Wie toch zal dan recht doen in Bantam-Kidoel?

Ook Multatuli grijpt terug naar de technieken van de retorica: veel vragen stellen, concrete personen bij de zaak betrekken, de kern meer dan eens herhalen, en zo concreet mogelijk beschrijven, zo mogelijk in de vorm van krasse tegenstellingen. Opvallend is wel dat Multatuli een veel hiërarchischer volgorde van de aangeroepen personen hanteert dan Van 't Hek. De ordeningen komen overigens op een ander punt weer wel overeen: van minder naar meer betrokken bij het ten laste gelegde.

Te mooi

Een retoricus mag nooit volledig slagen. Dan bedreigt hem het gevaar dat zijn gehoor paf staat maar niets doet. Dat kan ook met de lezers van de vorige fragmenten gebeuren: ze zijn dan zo onder de indruk van de vorm dat ze niet adequaat reageren op de strekking. Een beetje kunstenaar met een boodschap onderkent dit gevaar en neemt zijn maatregelen. Multatuli doet dat door zijn romanfiguren met één pennenstreek – “Stik in koffie en verdwijn'' – te euthanaseren en de strekking zelf nog eens duidelijk te maken. Van 't Hek heeft een haast nog elegantere oplossing. Ik heb de laatste zin van zijn column nog niet geciteerd. Die luidt:

En ik wil ook niemand horen die zegt: 'Goeie column Youpie. Goed dat het gezegd is.'