23 maart 2010

Vorige week ontvingen we een bericht in ons postvak over de kredietcrisis. Het bevatte geen breaking news, opzienbarende achtergronden of andere nieuwe inzichten. Nee, het was een geval van doorstuurhumor.

Volgens het kredietcrisisbericht zijn vele beroepsgroepen getroffen door de economische malaise. De tabakshandelaar bijvoorbeeld. Want die is de sigaar. En de bakker. Die verdient geen droog brood meer. En de herenmode is de das omgedaan. Via een lange lijst van kwekers (op zwart zaad), kappers (met de handen in het haar) en timmermannen (hebben het bijltje erbij neergegooid) wordt toegewerkt naar het slot: een verzuchtend “Wat een wereld!”

De een vindt ze geestig en inventief, de ander gruwelt van zoveel oubolligheid, maar ze zijn onuitroeibaar: doorstuurberichten waarin een hoofdrol is weggelegd voor de woordspeling. Op gezette tijden komen dit soort lijstjes voorbij. Ze worden eindeloos geforward per e-mail, of - in vroeger tijden - op papier doorgestuurd en doorgegeven.

Piepende borsten

Wie herinnert zich bijvoorbeeld niet de lijstjes met raadsels als: 'Ik schaak liever met nonnen dan dat ik met ………………….'? Waarbij het de bedoeling was dat er plaatsnamen werden ingevuld (in dit geval: Monnickendam).

En al jaren circuleren er lijsten van grappig ontspoorde verzoeken en klachten die ooit ingediend zouden zijn bij een woningbouwvereniging: “Ik zou graag een aanval op uw goedheid doen” en “Mijn man loopt met brongieters en mijn borsten piepen ook.”

Ltteers in een wrood

Het genre van de talige doorstuurhumor omvat niet alleen lijstjes met losse zinnetjes. Ook opzienbarende wetenswaardigheden over taal worden op die manier gretig doorgegeven aan iedereen die het lezen wil.

Een paar jaar geleden bijvoorbeeld mailde iedereen elkaar opeens dat het 'vlgones niuew oznrdeeok neit uimtaakt in wlkee vloogdre de ltteers in een wrood saatn; het einge wat blegnaijrk is is dat de eretse en de ltaatse ltteer op de jiutse patals saatn'.

Niet nieuw

Het mailtje zelf zou bewijs zijn van wat er was ontdekt. Echt “niuew” bleek het “oznrdeeok” bij nader inzien niet te zijn. Waarschijnlijk verwees het tekstje naar een Brits proefschrift uit 1976. Ziedaar ook gelijk het lot van doorstuurhumor: berichtjes worden zo oneindig lang doorgestuurd (en herontdekt en opnieuw doorgestuurd, enz.) dat de echte nieuwigheid er op een gegeven moment wel af is.

Ik voog

Het is vaak lastig om te achterhalen waar en wanneer zo'n rondstuurbericht nu precies zijn oorsprong vindt. Een uitzondering daarop is een bekend doorstuurversje dat demonstreert hoe moeilijk het Nederlands is en dat zo begint:

Men spreekt van één lot, en verschillende loten,
maar 't meervoud van pot is natuurlijk geen poten.
Laatst ging ik vliegen, dus zeg ik vloog.
Maar zeg nou bij wiegen beslist niet: ik woog,
want woog is nog altijd afkomstig van wegen,
maar is dan ik voog een vervoeging van vegen?

Van het gedicht bestaan, zoals dat gaat met dit soort doorstuurberichten, vele varianten, maar de oerversie moet afkomstig zijn van de ooit zeer vermaarde taaljournalist Charivarius. Hij schreef het in de jaren twintig.

Wie heeft er nog meer van dat soort rondstuurhumor met taalgrapjes en (zogenaamde) taalwetenswaardigheden (liefst voorzien van datum en zo veel mogelijk andere bijzonderheden)? Stuur ze nog eenmaal door, ditmaal naar ons: per e-mail (saskia.aukema@onzetaal.nl) of per post (Raamweg 1a, 2596 HL Den Haag).


Meer Nu.nl-columns van Onze Taal