10 juni 2008

Levende talen lenen woorden uit andere talen. Zo gaat het al duizenden jaren. Maar er zijn nogal wat woorden tussen lenen en vertalen in blijven hangen. Over de leuke en de minder leuke kanten van zogeheten barbarismen.

Steeds meer beleggers speculeren op schaarste. De fossiele brandstoffen raken op, en van bedrijven die ze opsporen, verwerken of verhandelen, stijgen de aandelen. Hoelang zo'n koersstijging aanhoudt, weet niemand. Zakt de markt plots weer in, dan barst de oliebubbel.

Bubbel

Oliebubbel. Dat woord doet denken aan die vorige economische 'bubbel', de internetbubbel. Maar toen de internethype zeven jaar geleden op de beurs ruw ten einde kwam, heette het nog helemaal geen internetbubbel; we hadden het destijds over de internetzeepbel die uiteenspatte.

De zeepbel is nu dus een bubbel geworden. De opkomst van de bubbel in economische zin is mooi te illustreren met Google. Zoek op internetbubbel (ruim 1500 treffers) en je ziet dat dat woord het aflegt tegen de bekendere term internetzeepbel: ruim 3000. Maar kijk je naar de nieuwe zeepbel, de oliebubbel (ook 1500 keer), dan merk je dat de vertrouwde aanduiding zeepbel veel terrein verliest: oliezeepbel komt nauwelijks voor!

Anglicisme

Waarom heet de oliezeepbel nu plots oliebubbel? Een snelle blik op het Engels zegt genoeg: het is een rechtstreekse vernederlandsing van oil bubble. Waarschijnlijk gevormd door mensen die dagelijks zo veel Engels horen dat ze er niet meer aan denken dat het Nederlands daar al het woord zeepbel voor had.

Leenvertalingen heten zulke woorden, of met een afkeurende benaming: barbarismen. Ze zijn onopvallender dan echte leenwoorden zoals überhaupt en carpoolen: het zijn buitenlandse woorden in een Nederlands jasje. Of uitdrukkingen – al heel wat Nederlandstaligen kunnen bijvoorbeeld iets stoppen waar de zon niet schijnt, een leenvertaling van de Engelse uitdrukking stick it where the sun don't shine.

Barbarismen kun je onderverdelen naar herkomst; vroeger hadden we 'last' van germanismen (uit het Duits, zoals middels en met zich brengen), tegenwoordig zijn er veel anglicismen. Duizenden Engelse woorden lijken wat hun vorm betreft erg op Nederlandse, en als we ze vaak in het Engels tegenkomen, kost het de minste moeite om het Nederlandse woord ook in een van oorsprong Engelse betekenis te gebruiken. Oil = olie, bubble = bubbel, dus: oliebubbel. Zo makkelijk gaat dat.

Lui

Ze kunnen heel grappig zijn, die leenvertalingen. Wie ze bewust vormt, houdt zich bezig met 'translaties': zo is kont schoppen (to kick ass) erg herkenbaar als vertaalde uitdrukking. Onbewust gevormde of overgenomen leenvertalingen zijn slechter herkenbaar en leiden soms tot onduidelijkheid en irritatie. Vaak gaat het om jargonwoorden waarvoor bijvoorbeeld techneuten, internationale zakenmensen, politici of journalisten het best gelijkende Nederlandse woord gebruiken. Een schoolvoorbeeld van dat 'luie vertalen' is het woord Bush-administratie: een beetje vertaler weet dat dat in het Nederlands regering-Bush moet zijn. En secretary of state Condoleezza Rice is geen staatssecretaris, maar minister van Buitenlandse Zaken.

Met de Amerikaanse presidentiële verkiezingen, nee: presidentsverkiezingen in zicht zullen weer heel wat Angelsaksische woorden en formuleringen stiekem de Nederlandse huiskamers binnenrollen. We zijn benieuwd welke – en wie ze weet op te sporen.


Meer Nu.nl-columns van Onze Taal