Gisteren een date gescoord met je valentijnskaart? Let dan bij de verdere kennismaking wel even op je taalgebruik. Want dat is belangrijk - zegt ook de wetenschap.

Raymond Noë | 15 februari 2011

Taal is belangrijk als je iemand het hof wilt maken, daarover zal iedereen het wel eens zijn. Het begint al met een goede openingszin om het ijs te breken en vervolgens komt een vlotte babbel goed van pas. Zegt men.

Maar zo is het dus niet, of in ieder geval niet helemaal, want met die openingszin kun je ook behoorlijk de mist ingaan. Daar komt nog bij dat het in ieder geval voor mannen geldt dat ze meer succes boeken als ze niet direct laten merken dat ze een vrouw leuk vinden. Zegt de wetenschap.

En iemand met een vlotte babbel is natuurlijk best wel onderhoudend en gezellig, maar dat maakt haar of hem niet meteen Miss of Mister Right. Want daarvoor is er wat meer nodig. Verwant taalgebruik bijvoorbeeld.

Huisje, boompje, baby

Taal blijkt een verbindende factor. Hoe groter de overeenkomsten tussen jouw woordkeus en die van je beoogde geliefde, hoe groter de kans dat hij of zij dat ook inderdaad wordt. Zegt het tijdschrift Psychological Science.

Daarbij moet je niet denken aan woorden als huisje, boompje, baby, of aan werkwoorden als trouwen, cohabiteren en samenwonen, maar aan simpele kleine woordjes als een en het, onder en boven, mijn en dijn, en dit en dat. Als twee tortelduifjes die woorden op dezelfde manier gebruiken, dan is de kans dat ze samen wat krijgen beduidend groter.

Ook later, als de twee al lang en breed samen zijn, is aan hun taalgebruik te zien of de relatie nog toekomst heeft. Lijkt hun woordkeus op die van de ander, dan zit het meestal wel snor, maar als het uit elkaar groeit, dan groeien ook de partners uit elkaar. De uitdrukking 'op dezelfde golflengte zitten' is in de taal van de liefde heel toepasselijk.

Ik lijk niet op Brad

Het is overigens niet zo dat je je taalgebruik kunt sturen om daarmee je kansen bij de ander te vergroten. Het spiegelen van elkaars woordkeus is een onbewust proces.

Maar als je kansen wilt vergroten kun je er om te beginnen voor zorgen dat je openingszin niet al te corny is. Met “Ik lijk niet op Brad maar mag ik bij je pitten?” en “Zwijgen is goud maar nu ben ik bronstig” kom je er niet. Dat snapt iedereen , daar heb je geen taalonderzoeker voor nodig.


Meer Nu.nl-columns van Onze Taal