Waar komt oelewapper vandaan en wat betekent het?
Oelewapper betekent ‘sufferd’, ‘sukkel’, ‘slome duikelaar’. De herkomst van dit woord is helaas niet duidelijk, maar er zijn wel enkele theorieën over.
Oelewapper is nog niet zo oud: het is ergens aan het begin van de twintigste eeuw ontstaan. Het oudste krantencitaat waarin het voorkomt, dateert uit 1941. In de Graafschap-bode van 8 juni van dat jaar wordt een bakker uitgemaakt voor “oelewapper”.
Herkomst: oele + ‘slungel’ (waarschijnlijk)
Het eerste deel van oelewapper is waarschijnlijk het verouderde tussenwerpsel oele. Vroeger werd ‘ja, oele’ ongeveer gebruikt zoals wij nu ‘ja, dáág’ gebruiken. Het betekende dus iets als ‘bekijk het maar’, ‘ik geloof er niks van’, ‘het kan me geen bal schelen’.
Het tweede deel wapper is een verouderd woord voor ‘slungel’. Het is dus goed mogelijk dat oele en wapper zijn samengevoegd tot één scheldwoord: oelewapper.
Herkomst: pottenbakker
Een andere verklaring gaat uit van een verband met het Limburgse woord oelewapper, dat ‘pottenbakker’ betekende. Oele zou dan teruggaan op het Latijnse aula of olla (‘pot’). Wapper zou dan van het werkwoord wapperen komen. Een pottenbakker is immers iemand die met zijn ‘wapperende’ handen een kruik of pot maakt van klei.
Herkomst: nachtvlinder
Het is ook mogelijk dat er een verband bestaat met het Friese woord ûlewapper. Dat is de naam van een grote nachtvlinder. Ûle betekent ‘uil’ in het Fries. Ûlewapper is bovendien een Fries scheldwoord voor een sufferd, net als ûlewabbes.
Herkomst: Olé guapa!
Er doet nóg een verklaring de ronde over de herkomst van oelewapper. Die klopt zeker niet, maar ze is wel grappig. Oelewapper zou volgens die verklaring dateren uit de periode van de Spaanse bezetting, de Tachtigjarige Oorlog. Op een zekere dag zouden een paar Spaanse soldaten een Nederlandse vrouw hebben gezien en toen hebben uitgeroepen: ‘Olé guapa!’ (‘Wat mooi!’, oftewel: ‘Wat een stuk!’) Deze uitroep zou vervolgens verbasterd zijn tot oelewapper.